Twee engelen bieden Josoë hun diensten aan.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 2)

«« 79 / 244 »»
[1] Nu stappen de twee engelen naar voren en zeggen: " Ja, lieve jongen, je sprak de waarheid! Dat hebben onze ogen nog nooit gezien, hoewel zij reeds lang door het eindeloze heelal tuurden, vóór de eerste zon zich met haar stralen ver door Gods eeuwige ruimte kenbaar maakte! Behoud daarom steeds die geest, die nu zo puur goddelijk verheven in je is, dan blijven wij eeuwig broeders!"
[2] JOSOË zegt: "Wie zijn jullie, dat jullie zulke verheven wijze woorden kunnen zeggen? Zijn jullie dan niet net zulke mensen als ik er een ben?"
[3] De BEIDEN zeggen: "Beste broeder, in de geest zijn wij wel geheel datgene wat jij bent en nog steeds meer zult worden, maar vlees en bloed hebben wij nooit gedragen! Wij zijn engelen van de Heer en zijn hier om alleen Hem altijd te dienen. Als Hij ons echter uit genade toestaat om net als Hij de weg door het vlees te gaan, dan zullen wij ook in dat opzicht geheel op jou lijken. Nu ben je ons ver vooruit, maar de eeuwigheid is lang en eindeloos en daarin zullen eens alle verschillen wegvallen. Maar wij bieden nu ook jou onze diensten aan; als je iets nodig hebt, beveel dan en wij zullen je dienen!"
[4] JOSOË zegt: "Wat zou ik jullie dan voor mij moeten laten doen? Wij allen hebben één God en één Heer en eeuwige Vader. Hém alleen komt het recht toe om mij zowel als jullie iets op te dragen. Maar wij, die zonder uitzondering allen door Hem zijn geschapen, moeten elkaar biets opdragen, maar door hulpvaardige liefde elkaar steeds wederzijds dienen als er een van ons, engel of mens, onverschillig wat voor hulp nodig heeft!
[5] Maar al biedt iemand nóg zo bereidwillig hulp aan zijn hulpbehoevende om hulp vragende broeder, dan vind ik hem al niet volmaakt. Want op die manier wordt alleen diegene geholpen die gelegenheid, moed en kracht bezit om zijn in enig opzicht met capaciteiten begunstigde broeder zijn nood te beschrijven en hem om overeenkomstige hulp te vragen. Maar wie helpt dan degene, die de gelegenheid en de moed niet bezit om zijn tot helpen in staat zijnde broeder om hulp te vragen? Maar als ik een hulp, waar.om gevraagd moet worden, al niet juist vind, hoeveel te minder dan een, die op bevel gegeven moet worden?
[6] Daarom zeg ik jullie hier in tegenwoordigheid van Degene, die Heer is over leven en dood: Als jullie zullen merken, dat ik hulp nodig heb, help me dan zonder dat ik daarom vraag of als een meester beveel! Ik zal hetzelfde doen als ik zou weten dat ook ik jullie ergens mee zou kunnen helpen; verder heb ik geen hulp en diensten van jullie nodig en allerminst een dienst op bevel, die erger is dan helemaal geen!
[7] Maar iemand die in wat voor opzicht dan ook kan helpen, moet ijverig rondzien onder zijn hulpbehoevende broeders of er niet een is die in een bepaald opzicht hulp nodig heeft. En heeft hij er een gevonden dan moet hij zijn hulp aanbieden! Dan zal hij naar mijn mening de Heer en Vader, die de eeuwen door zo te werk gaat, zeker bevallen en het heilige evenbeeld van God waarnaar hij geschapen is, rechtvaardigen. Wie echter. zijn,naaste pas helpt nadat deze hem om hulp heeft gevraagd, -oh, wat is zo n helper dan nog ver verwijderd van het volle evenbeeld. laat staan degene, die zich laat bevelen om te helpen!
[8] Kijk, beste vrienden, als jullie wijsheid niet verder reikt dan een voorstel te doen aan mensen, om jullie te bevelen als ze je hulp nodig hebben, dan zou ik met jullie niet willen ruilen; maar als jullie mij alleen maar hebben wille~ testen, dan geloof ik mijn proef ten aanzien van jullie in leder geval met slecht doorstaan te hebben. En mochten jullie uit mijn mond misschien iets gehoord hebben, wat nogal hard aankwam, dan moet je mi) d~t maar niet kwalijk nemen, want ik heb mijn mond niet opengedaan om Jullie de les te lezen, maar terwille van de waarheid, omdat jullie Je voorstel aan mij met overeenkomstig de waarheid gedaan hebben. Als volmaakte hemelgeesten hadden jullie toch mijn innerlijk zover kunnen onderzoeken, dat je ontdekt zou hebben dat ik zeker zo'n antwoord op Jullie voorstel zou geven. Dan zouden jullie je aanbod, waarvoor ik jullie in ieder geval niet bedanken kan, beslist in een andere vorm hebben gegoten!"
[9] De BEIDE jongemannen doen nu wat gedeemoedigd een stapje terug en zeggen: "Waarlijk, zo'n grote, zuiver goddelijke wijsheid zou geen engel bij deze jongen gezocht hebben!"
[10] IK zeg: " Ja, geliefden, Gods oog ziet heel scherp en ontdekt ook in de volmaaktste engel nog vlekken, - en dat geldt ook voor een zuiver mensenhart, dat is als Gods oogappel. Ik liet dit echter niet voor jullie, maar voor de gasten gebeuren, opdat zij uit de reine mond van een tot leven gewekte jongen zouden vernemen hoever zij nog van het evenbeeld van God afstaan. Overigens heeft de jongen al vanaf zijn geboorte een buitengewoon scherpe geest, en niemand moet nu denken dat Ik hem bij deze gelegenheid de woorden in zijn hart en daarna in de mond gelegd zou hebben. Zij zijn helemaal van hemzelf, daarom zal hij eens voor Mij een bekwaam werktuig zijn. "
«« 79 / 244 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.