De bergen als spiegel van ons innerlijk

Jakob Lorber - Geheimen der natuur

«« 39 / 39
[1] Wat leren de bergen ons verder nog? Ze spreken zinnebeeldig tegen de mensen die ze beschouwen, waaruit iedere maar enigszins gewekte beschouwer gemakkelijk kan afleiden hoe het met zijn gemoed gesteld is. Daardoor zijn de bergen een ware geestelijke spiegel voor diegenen, die zich daarin willen bezien.
[2] Je hebt al gehoord hoe voor de geestelijk gewekte mens elk verschijnsel in de natuur een diepere betekenis heeft. Daarom hoeft zo'n mens alleen maar een blik op een berg te werpen en dan weet hij de geestelijke achtergrond van de verschijnselen die zich daar voordoen: hij kan zien hoe de berg is belicht, volkomen helder of door een blauwachtig waas omgeven, ook welke delen van de berg min of meer wazig zijn of dat er ergens om de berg een nevel zal opkomen, zij het in de diepte, in het midden of aan de top, of dat zich boven de top wolken bevinden en van wat voorsoort die zijn. Het zal hem dan niet ontgaan, wat voor gevoelens zich van hem meester maken als hij de berg beschouwt: of hij hem in een aangename of in een weemoedige stemming brengt, of hij daarbij de vurige wens heeft gevoeld deze berg weldra te bestijgen, of dat hij juist een tegenovergesteld gevoel in zich op voelde komen. En ook, hoe hij bij de aanblik een opgewekt morgengevoel of toch een meer vermoeiend middaggevoel of een slaperig avondgevoel of een leeg, dof middernachtgevoel in zich waarnam en hoe lang dit duurde.
[3] Op dit alles moet men wel letten, want dergelijke verschijnselen en gevoelens komen precies overeen met de innerlijke toestand van de mens die ze beschouwt. Maar men moet er wel op letten, dat de gevoelens met het wezen van de verschijnselen moeten overeenstemmen. Want de verschijnselen op zichzelf geven nog geen volledige verklaring. Als echter het gevoel met het verschijnsel harmonieert, dan verkondigt de berg de mensen precies, hoe het met hem is gesteld.
[4] Ging iemand bijvoorbeeld 's ochtends uit en zou hij daar weliswaar een berg geheel duidelijk en helder zien, maar deze zou zijn gemoed niet opwekken maar hem heimelijk bang maken, dan zou het verschijnsel niet harmoniëren met dat gevoel; niettegenstaande dat zou die berg toch een getrouwe spiegel voor die beschouwer zijn. Want als de geestelijke zuiverheid van de berg het gevoel afstoot, zegt de berg tegen zijn beschouwer: 'Wat kijk je naar mij met een onzuiver gemoed! Zuiver je daarom, zodat je boven je zinnelijk werelds gevoel uitgeheven wordt, net zoals ik mij verhef boven de modder van de dalen !' In dit geval ziet de beschouwer in de spiegel van de bergen zijn beeld, hoe hij zou moeten zij n, maar niet is!
[5] Een ander disharmonisch geval zou zijn, wanneer een mens op één of andere tijd van de dag uit zou gaan en een door duisternis omgeven berg zou zien, maar daarbij een volkomen opgewekt en vrolijk ochtendgevoel zou hebben. Wat moet de beschouwer bij deze gelegenheid aan het beeld van de duistere berg ontlenen ? We zullen de berg enkele woorden laten spreken: 'Kijk naar mij, vrolijke wandelaar, in de ochtend van je gevoel. Voordat je me zag was je treurig. Net zoals bij mij omringden ook jou duistere wolken. Er trokken geweldige stormen over je heen en veel bliksemstralen die uit mijn wolken flitsten troffen je. Je gaf de moed niet op en stond daar zoals ikzelf: een sterke rots, onverschrokken en trots tegenover deze verzoeking. De stormen die je dreigden te vernietigen, veranderden al gauw in reddende engelen en bevrijdden je van de zware last van je nacht. Daarom, kleine vriend daar in het dal, kijkgoed naar mijn beeld dat voor je staat. Alleen daardoor zul je in de bestendige ochtend van je gevoel blijven, als je je maar vaak genoeg het beeld voorogen haalt hoe heter eens om je heen uitzag, toen je op mij leek in de toestand waarin ik nu verkeer. Deze storm zal mij niet vernietigen en je zult me weldra weer helderder kunnen zien dan nu, nu ik je toon hoe je vroeger was!
[6] Kijk, dit waren twee opvallende punten van de disharmonische verhoudingen tussen de verschijnselen en de gevoelens! Tussen deze twee extremen kunnen nog veel grotere en kleinere disharmonische verschijnselen voorkomen, die echter allemaal gemakkelijk kunnen worden herkend, omdat ze zich niet meer over het hele gemoed maar slechts over enkele delen daarvan uitstrekken. Het moeilijkste is om het totale verschijnsel juist te beoordelen.
[7] Maar wat de harmonische verschijnselen betreft, deze behoeven geen verdere verklaring. Want waar een opgeruimd gemoed een lichte berg ontdekt, wordt hij nog opgewekter en verlangt naar de zuivere hoogten. Als echter een verduisterd gemoed een huiveringwekkend verduisterde berg ziet, dan wordt hij nog somberder en zo'n mens verlangt zeker niet boven op de berg te zijn. Als iemand uitgaat met een opgeruimd gemoed en een donkere berg brengt hem in een slechte stemming, dan is zo'n slechte stemming niets anders dan een opwekking van de eigenlijke toestand waarin het gemoed zich heimelijk bevindt. De berg toont de mens dan wat er nog allemaal in zijn innerlijk verborgen is. Dat natuurlijk de hogere bergen en vooral de gletscherbergen, zoals onze Grossglockner er een is, zulke beelden met nog grotere duidelijkheid tonen dan de minder hoge bergen, spreekt vanzelf voor degene die in overweging neemt dat de bestemming van een berg steeds uitgebreider wordt naarmate zijn top zich hoger boven de gewone diepte van de hebzucht van de aardbodem verheft. Verder worden de bergen pas belangrijker op hun zuivere bergweiden, omdat daar ook alles meer geestelijk wordt. Dat is de oorzaak dat ze op elk gemoed een diepere indruk maken dan kleine verhogingen.
[8] Een plaat stemt overeen met het voorwerp waarvan het een afbeelding is; het kan in de geest beleefd worden alsof het volle werkelijkheid was. Alleen moet een afbeelding met grote opmerkzaamheid bekeken worden, opdat het zich dan in het gevoel tot werkelijkheid kan maken. Is dat bij iemand gebeurd, dan kan die heel veel nuttige lessen daaruit leren.
[9] Dat een echte berg daartoe beter geschikt is, behoeft wel geen betoog.
[10] We hebben nu niet alleen de Grossglockner in al zijn delen en werkingen beschouwd, maar wat hier werd geschilderd geldt naar verhouding voor alle bergen. Maar in het bijzonder moeten de bergen in het menselijk hart hieronder verstaan worden. Deze moeten met de werkelijke vergeleken worden, zodat in het hart een nuttige inwerking ontstaat. Denk daar wel aan en handel ernaar, dan zal de innerlijke zegen van de bergen evenzo over je uitgegoten worden, als de bergen hun uiterlijke zegen over al het land uitgieten. Zoals Ik graag in de bergen was en daar vele hongerigen met weinig broden verzadigde en Mij verheerlijkt op een berg toonde en vanaf een berg opsteeg in Mijn rijk, -zo vertel Ik ook dit van de bergen en open daardoor een grote poort naar het rijk van het eeuwige leven. Bedenk dat Ik de Oermacht en Schepper van de bergen, niet zonder grote zinnebeeldige betekenis voor het laatst op een bergbad. Volg Mij dus in alles na, dan zul je het doel, dat Ikzelf ben, moeilijk kunnen missen.
[11] Dat zeg Ik, die eens vanaf een berg de hemelse gaven heb uitgedeeld.
[12] Dit is ook een deel van de hemel. Neemt hem aan als een grote zegen van Mij en wordt eeuwig levend in de geest! Amen.
«« 39 / 39
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.