Het gericht van de hardvochtigen aan gene zijde

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 9)

«« 210 / 214 »»
[1] (De Heer:) 'Vergaar dus altijd schatten die niet door motten stuk geknaagd en niet door roest en ontbinding vernietigd kunnen worden.
[2] Hoed jullie voor de goederen en schatten van deze wereld; want daarin rust de slechte geest van verleiding tot alle zonden!
[3] Als jullie tot God bidden en in je hart zeggen: 'Vader in de hemel, leid ons niet in verzoeking!', zeg, denk en wens dan dat Hij jullie niet ruim voorziet van veel aardse goederen en schatten, maar vraag Hem alleen om het dagelijkse brood, dan zal Hij het jullie niet onthouden, aangezien Hij het beste weet wat jullie nodig hebben.
[4] Als jullie volgens Mijn leer God boven alles liefhebben en zodoende ook elkaar zoals iedereen zichzelf liefheeft en in alle opzichten voor zijn eigen welzijn zorgt, zullen jullie je onder elkaar nooit over een of andere nood hoeven te beklagen; want nood en armoede onder de mensen op deze aarde ontstaan enkel en alleen door hun wederzijdse liefdeloosheid - en die is steeds het gevolg van ongeloof of duister bijgeloof. Want wie het geloof in de ene, eeuwig enig ware God niet heeft -hoe zou die Hem dan moeten eren en boven alles liefhebben en vanuit die liefde zijn naaste als zichzelf?
[5] Iemand die ruimschoots van aardse schatten is voorzien ziet zijn arme naaste wel; maar omdat hijzelf geen gebrek hoeft te lijden, zegt hij: 'Ik ben verzorgd, wat gaan de anderen mij aan! Laat iedereen voor zichzelf zorgen, dan zal hij geen gebrek hoeven te lijden!'
[6] Maar tegen zo iemand zal Ik later zeggen: 'Waarom heb je zo overmatig alleen voor jezelf gezorgd en daardoor aan anderen onttrokken wat hun van Mij uit toegekomen zou zijn? Daarom zul je nu, in Mijn rijk, verlaten zijn en je alle armoede en gebrek moeten laten welgevallen!'
[7] En als hij zich dan zal verontschuldigen met de opmerking dat hij niet in Mij heeft geloofd, omdat niemand hem op de juiste manier van Mij op de hoogte heeft gebracht, zal Ik tegen hem zeggen: 'Wie heeft jou dan op de hoogte gebracht van een recht, volgens welk jij, omdat je sterker bent, de goederen van de aarde hebt onttrokken aan je medemensen, die eenzelfde recht hadden op een voor hen noodzakelijk bezit, en ze voor jezelf hebt opgehoopt? Had je niet moeten handelen volgens het juiste inzicht en het recht, dat door de inrichting van de aarde en haar natuur voor ieders ogen en oren luid verkondigd wordt, aangezien je toch duidelijk had moeten waarnemen dat de aarde met haar goederen er niet voor jou alleen, maar ook voor alle andere mensen is en moet zijn?!
[8] Omdat je geen acht hebt geslagen op wat je inzicht je moest ingeven, zal er hier in Mijn rijk ook geen acht geslagen worden op jouw zielennood en armoede!
[9] Als je echter zegt datje niet in een enkele ware God hebt kunnen geloven, omdat niemand jou op de juiste manier op de hoogte heeft gebracht, dan zal Ik je zeggen: 'Kijk eens wat een verschrikkelijke leugenaar je toch bent! Denk je soms dat de mensen die werkelijk van Gods geest vervuld en verlicht zijn, net als de aanjou gelijke wereldse brassers overlopen van alle schatten en goederen van deze aarde? O, dan vergis je je toch wel heel erg!
[10] Ze zijn als arme en behoeftige mensen aan de deur van jouw huis gekomen en hebben je bericht willen brengen van de ene, enig ware God, maar je hebt hen niet bij je laten komen, uit de begerige vrees dat je hun daar iets voor moest geven of uiteindelijk vrijwillig zou geven, als je mogelijkerwijs door hen bekeerd zou worden tot het onwrikbare geloof in de ene, enig ware God.
[11] Maar om te zorgen dat je je niet door een eventuele bekering gedwongen zou kunnen voelen hun iets te geven, heb je je ook liever helemaal niet laten bekeren en heb je vanwege jouw gierigheid geen waar bericht over de ene, enig ware God willen ontvangen door middel van een door Gods geest verlicht mens.
[12] Als dat nu zo is en niet anders -hoe kun je je tegenover Mij dan verontschuldigen door te zeggen dat jij geen acht kon slaan op je arme medemensen, omdat je in je onwetendheid over God geen verplichtingen tegenover hen hebt opgemerkt! Op deze manier heb je in het eerste geval het recht van de natuur, waar zelfs alle betere heidenen zich naar richten, door je gierigheid met voeten getreden, maar in het tweede geval, waarin je je verontschuldigt tegenover Mij, ben je een leugenaar. Hier zul je dus het loon van de gierigheid en dat van een leugenaar ontvangen, en voortaan zal er door Mijn uitverkorenen net zo aan jou gedacht worden als jij in de materiële wereld aan een enig ware God hebt gedacht en zoals jij die boven alles hebt liefgehad, alsook je medemensen!'
[13] Het zaad voor de ware kennis van God en het levende geloof in Hem is in de eerste plaats de liefde voor de naaste, en daarin ook de zuivere liefde voor God.
[14] Als iemand echter al zo hardvochtig is dat hij zijn arme naaste, die hij wel kan zien, niet met liefde tegemoet kan treden -hoe zal hij in zijn verstokte zielenblindheid God dan lief kunnen hebben, die hij onmogelijk kan en wil zien en gewaar worden?
[15] Kijk, zo zal geen enkele onboetvaardige zondaar zich later tegenover Mij kunnen verontschuldigen, aangezien het ieder mens van Mij uit gegeven is de waarheid en het goede daarvan te leren kennen -voor de heiden door de kennis van de voor het grijpen liggende dingen en omstandigheden in het grote rijk der natuur, en voor de Jood langs de weg van buitengewone openbaring!
[16] Daarom zeg Ik jullie nog eens: als jullie de Vader in Mijn naam iets vragen, vraag Hem dan vooral alleen de onvergankelijke schatten van het rijk Gods, dan zullen jullie die ontvangen, en samen daarmee ook datgene wat jullie nodig hebben om op deze aarde te leven!
[17] Laat degene die veel aardse goederen heeft ontvangen, die volgens de liefdeswil van de Vader beheren, dan zal hij, door reeds op deze wereld een trouwe beheerder over kleine dingen te zijn, in Mijn rijk over grote dingen aangesteld worden!'
[18] Na dit tamelijk lange betoog van Mij tot de mensen uit Joppe bedankten ze Mij heel innig, maar niet meer zo erg met behulp van uiterlijke gebaren, en in alle liefde en deemoed vroeg de visser Mij of ze, nu ze weer volkomen gezonde en krachtige mensen waren, misschien vandaag al de thuisreis moesten aanvaarden.
[19] Ik zei: 'Wat Mij betreft zullen jullie niet gedwongen worden naar huis te reizen of om hier langer te blijven; maar als zich na het ochtendmaal een gelegenheid voordoet om naar huis te reizen, kunnen jullie die wel benutten!'
[20] Toen de visser dat hoorde, werd hij blij; want hij brandde al van verlangen om thuis alles te vertellen wat hij en zijn metgezellen hier allemaal hadden meegemaakt.
«« 210 / 214 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.