De vulkanische verschijnselen in de omgeving van de Dode Zee Agricola ziet de voormalige Sodomieten in het geestenrijk. De graden van zaligheid van de geesten.

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 7)

«« 119 / 229 »»
[1] Het oplichten, dat zich zo nu en dan voordeed in de omgeving van de Dode Zee, werd steeds sterker en heftiger en herhaalde zich vaker dan in het begin. Het leek op een ver en sterk weerlichten. Het leverde derhalve veel stof op tot allerlei gesprekken.
[2] Lazarus zelf dacht dat hij zoiets nog nooit in die hevigheid had gezien; ook de joodse Grieken beweerden dat. De arme knechten en arbeiders, met de nog steeds aanwezige echtbreekster en de mooie Helias met haar familie, zeiden dat ook, en verbaasden zich allen zeer over dit verschijnsel.
[3] Alleen de Romeinen keken er volkomen onverschillig naar en Agricola zei tegen Mij : 'Heer, het ziet er niet slecht uit; maar onze brandende bergen zijn toch nog heel wat anders!'
[4] Ik zei: 'O ja, dat zijn ze zeker, - maar ze zijn niet gedenkwaardiger dan dit meer; want in dit meer ligt een grote, treurige geschiedenis van mensen begraven, evenals in de jullie Romeinen heel goed bekende Kaspische Zee. En daarom zijn deze verschijnselen veel gedenkwaardiger dan jullie brandende bergen, die Ik heel goed ken en waarvan Ik ook wel weet dat daar pas enige decennia geleden door de hevige uitbarsting van jullie Vesuvius enkele steden helemaal bedolven zijn.
[5] Maar toch is dit verschijnsel veel gedenkwaardiger; want bij dit natuurgevecht zijn vele duizenden mensenzielen betrokken, die door natuurgeesten meegesleept worden in een vergeefse strijd tegen Mij, terwijl bij jullie vuurbergen alleen de natuurgeesten tegen de wetten van Mijn orde strijden. En kijk, dat is een groot verschil!
[6] Om je dat allemaal nog beter te laten zien, zal Ik gedurende enkele ogenblikken je innerlijk gezicht openen, dan zul je heel vreemde dingen te zien krijgen!'
[7] Op datzelfde ogenblik had Agricola al het tweede gezicht en hij riep plotseling luid: 'Heer, bevrijd me van dit gezicht; want ik zie daar ontzettend afschuwelijke dingen! O, wat een gedaanten! Onze denkbeeldige furi├źn zijn niets daarbij vergeleken! Het hele meer en de lucht tot ver boven de wolken is vol ontelbare, ijzingwekkende spookbeelden! O, er heerst daar een verwoestende oorlog zo onvoorstelbaar gruwelijk, als op aarde bij de mensen nog nooit is voorgekomen! Wat willen deze wezens daarmee bereiken?
[8] Ik zie echter een even groot aantal witte, ernstige, mooie wezens toesnellen, en de monsters vluchten voor hen. Wie zijn dan die witte menselijke gedaanten die naar die allergruwelijkste plaats snellen?'
[9] Ik zei: 'Die afschuwelijke gestalten zijn de vroegere Sodomieten. Door de strijd die zij tegen Mij willen voeren, worden zij langzaam aan minder hard, en tevens tot grotere orde gebracht door de witte geesten die op hen afkomen en die wij geesten van vrede en orde willen noemen.
[10] De wind, die nu voor je gevoel heel koel uit het noorden waait, is echter niets anders dan een groot aantal witte geesten, waarvoor de woeste, kwade vuurgeesten, die uit het meer komen, vluchten. Als je nu voldoende gezien hebt, kom dan weer terug in je natuurlijke waaktoestand!'
[11] Op hetzelfde moment was Agricola weer in zijn natuurlijke toestand en hij zei tegen Mij: 'Heer, Heer, sinds Sodom en Gomorra met de andere tien steden ten onder zijn gegaan, zijn er zeker wel meer dan anderhalf duizend jaar voorbijgegaan; zijn de zielen die toen leefden dan nog niet tot een beter inzicht gekomen in het rijk van de geesten?'
[12] Ik zei: 'Ja, M'n vriend, nu heb je zelf eens een beetje kunnen zien hoe moeilijk het is om aan gene zijde een totaal verdorven ziel zover te beteren dat zij enigszins tot het inzicht en besef komt dat zij slecht is en als zodanig nooit vrij en zalig kan worden.
[13] Als een ziel dat eenmaal in gaat zien, keert zij zich af van haar vroegere slechtheid, en begint die te verachten en te verafschuwen en probeert innerlijk beter te worden. Ook al mocht zij zo nu en dan toch nog in een oude zonde terugvallen, dan volhardt zij daar niet in, maar heeft daar berouw over en verlangt er niet naar om hem weer te begaan. Zo verminderen en bekoelen langzamerhand de slechte neigingen, en dan wordt het ook steeds lichter in zo'n ziel.
[14] En omdat de witte vredesgeesten die je zag in de eerste plaats voor de verbetering van die slechte ziel zorgen, gaat een ziel die haar leven heeft gebeterd, eerst naar deze geesten over om zich daar in geduld en goede orde en rust te oefenen.
[15] Wanneer zij daar een zekere vastheid in heeft bereikt, kan zij in een nog betere toestand overgaan, die zij echter niet als loon mag zien voor haar verbetering, maar als een heel natuurlijk gevolg van haar innerlijke orde. Want als een op deze wijze heel ongemerkt beter geworden ziel zou merken, dat haar verbeterde toestand haar door Mij als loon voor haar innerlijke moeite werd gegeven, zoals het naar waarheid ook is, dan zou de oude zelfzucht al gauw weer in haar ontwaken. Zij zou daarom nog meer haar best gaan doen om beter en lichter te worden, maar alleen maar om snel nog meer beloond te worden, maar niet om terwille van het goede, reiner en beter te worden.
[16] Om deze gemakkelijk te begrijpen redenen verloopt de echte verbetering van een ontaarde ziel aan gene zijde werkelijk heel langzaam. Want wil een ziel blijven bestaan, dan mag Mijn almacht slechts in Zoverre op haar inwerken, dat zij in levensomstandigheden terechtkomt die haar als een noodzakelijk gevolg van haar kwade handelingen moeten voorkomen. En alleen daardoor is het mogelijk om zo'n ziel in en uit zichzelf werkelijk en daadwerkelijk te beteren. Of dat nu vroeg of laat gebeurt, blijft voor Mij uiteindelijk gelijk, en ook ten opzichte van de eeuwigheid, waarin alle voorbije en toekomstige tijden helemaal gelijk gemaakt worden, zoals het voor Mij ook geen verschil maakt, of een mens vele duizenden jaren vroeger of later op deze aarde lichamelijk geleefd heeft; want in de eeuwigheid zal de eerste mens van deze aarde niets voor hebben op degene die als laatste op deze wereld geboren is.
[17] Maar voor de ziel zelf is het toch onnoemelijk veel beter als haar levensvervolmaking zo snel mogelijk plaatsvindt, ten eerste omdat zij dan minder hoeft te lijden, en ten tweede omdat een ziel die ijverig is, zonder meer veel voor moet hebben op een ziel die traag is, zoals ook hier op aarde de wandelaar, die zijn wandeling ijverig vele dagen eerder begint, veel voor heeft op iemand die langzaam en traag is en er heel lang over doet eer hij besluit om aan de wandeling te beginnen. Terwijl de ijverige allang volledig geniet van de grote voordelen van zijn ijver en vlijt, heeft de trage nog nauwelijks de eerste stap gezet op de lange weg die hij te gaan heeft, en heeft daarbij ook nog voortdurend omgezien en erover nagedacht of hij ook de tweede stap wel zal zetten, of misschien toch nog langer thuis zal blijven. Ja, als zo'n trage geest, die niets onderneemt dan lang in grote armoede een gebrekkig en kwijnend bestaan lijdt, terwijl zijn ijverige buurman snel voor hem uit is gegaan en belangrijke goederen in zijn bezit kreeg, dan heeft de trage beslist geen enkel benijdenswaardig voordeel vergeleken bij de ijverige, maar juist omgekeerd; want wie eenmaal Vooraan loopt, blijft dan ook wel voor eeuwig vooraan en zal door de hinkenden die achteraan komen nooit ingehaald worden.
[18] Voor Mijzelf maakt dat natuurlijk niets uit - want Ik ben en blijf Degene, die Ik eeuwig was -; maar tussen de zaligheidsgraden van de geesten zullen oneindig grote verschillen bestaan. - Begrijp je dat, Mijn vriend?'
«« 119 / 229 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.