De Heer en Maria

Leopold Engel - Leopold Engel: Het Grote Johannes Evangelie (deel 11)

«« 35 / 77 »»
[1] Maria zat in de pronkkamer, die in ieder Joods huis aanwezig was, omringd door de vele vrienden en bekenden van Lazarus, die troostende woorden tegen haar spraken en de vele goede eigenschappen van de overledene roemden. Maria bleef des te liever in deze kring, aangezien enkele Farizeeën, die zich hier -zoals reeds gezegd -tamelijk ongegeneerd als heren voordeden, daardoor tenminste van haar persoon werden afgeleid en haar verder niet met allerlei reeds behoorlijk brutale voorstellen konden benaderen.
[2] Voordat Maria Mij had leren kennen was zij een erg levenslustig schepsel geweest, dat zich door de rijkdom die zij bezat zorgeloos overgaf aan de genoegens die het toenmalige weelderige leven van Herodes Antipas in zwang had gebracht. Ze was onafhankelijk, en geloofde dat ze onder de bescherming van haar broer geen rekening hoefde te houden met de mening van de evenwel omkoopbare menigte. Als gevolg daarvan deed zij dikwijls nare ervaringen op, omdat de begerige Farizeeën van haar waren gaan denken dat ze lichtzinnig was.
[3] Haar vroegere, meer naar buiten gerichte leven had zich echter volkomen verinnerlijkt en haar de heldere blik gegeven, waardoor zij Mij van de broer en de beide zusters ook het meest herkende. Nu, na de dood van haar broer, traden de Farizeeën des te onbeschaamder op, omdat zij niet in een ware verandering van haar innerlijk geloofden; ze probeerden zelfs Mij voor de door Lazarus begunstigde minnaar uit te maken en hadden hierover, evenals over het uitblijven van Mijn wonderkracht, die Mijn vriend toch had moeten redden, honende opmerkingen gemaakt.
[4] Op het ogenblik van Mijn komst waren de meeste Farizeeën niet aanwezig, maar hadden zich naar de reeds bekende, aan Lazarus toebehorende herberg op de Olijfberg begeven om zich op de hoogte te stellen van de pachtvoorwaarden. Zoals bekend hadden de Farizeeën deze herberg een slechte naam bezorgd, en ze overlegden met elkaar om vooral op de herberg aanspraak te maken; want de tempel zou er, na de schandvlek te hebben verwijderd, goede zaken mee kunnen doen, vooral omdat hij vroeger vanwege het mooie uitzicht als een soort ontspanningsoort door de Joden veel bezocht werd.
[5] Martha ging heimelijk naar Maria toe, die zich juist wat afzijdig hield van de aanwezige Joden, en zei zachtjes tegen haar: 'De Meester is er, en roept je!'
[6] Snel vroeg Maria waar Ik was, en Martha vertelde haar dat kort en snel. Toen ze dat had gehoord, stond Maria ijlings op en ging onmiddellijk naar buiten.
[7] De Joden, die zagen hoe haastig ze wegliep, waren eerst verbaasd; maar toen zei Efraïm, een vriend van Lazarus, die zijn vader al had gekend en ook Mij herhaaldelijk in huis had gezien en gehoord, waardoor hij een soort halfgelovige was geworden, die Mij op zijn minst voor een achtenswaardig mens hield, zij het ook niet voor de Messias: 'Ze gaat zeker naar het graf om daar te huilen en te bidden. Laten we naar haar toe gaan, vrienden, zodat zij zichzelf in haar verdriet niet iets aandoet!'
[8] De overige Joden stemden daarmee in, en zo volgden zij langzaam de voortlopende Maria. Toen zij Mij echter temidden van de Mijnen zag, rende ze onstuimig op Mij toe en viel luid huilend aan Mijn voeten neer.
[9] Snikkend kon zij in haar verdriet en in haar blijdschap, Mij te zien, geen woorden vinden, tot Ik haar liefdevol vroeg: 'Maria, waarom huil je? Weet je niet dat je broer in Mijn rijk leeft?'
[10] Vol verdriet knikte ze met haar hoofd en herhaalde de woorden van haar zuster (Maria): 'Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn!'
[11] Ik hief haar op van de grond en zei: 'De geest die in Mij leeft had, als jullie geloofd zouden hebben, je broer ook kunnen beschermen, ook al was Ik niet aanwezig; maar jullie zijn onmondige kinderen en begrijpen Gods wegen niet!'
[12] Intussen waren ook de Joden dichterbij gekomen die Maria waren gevolgd en een gezelschap van ongeveer twaalf personen vormden. Toen ze zagen hoe erg Maria huilde en zich, terwijl Ik haar vasthield, schijnbaar niet wilde laten troosten, raakten ook zij allemaal diep ontroerd, evenals de Mijnen, die dit tafereel bijwoonden, en aan beide kanten waren er rijkelijk tranen van medeleven.
[13] Nu zei Efraïm, die al een grijze man was: 'Meester, wat is de dood toch wreed, dat hij deze beschermer en beste broeder in zijn volle mannelijke kracht van haar zijde heeft weggerukt! Waarom moest zoiets toch gebeuren?'
[14] Ook de andere Joden, die Mij en Mijn woord toch allemaal kenden want het waren echte vrienden van Lazarus die zelf arm waren, maar voor wie hij tijdens zijn leven veel goeds had gedaan en die hem in hun hart heel dankbaar waren -vielen de spreker bij en kwamen in opstand tegen God. Maria begon echter des te heviger te huilen, en de Mijnen keken Mij aan met blikken die duidelijk uitdrukten dat zij in dit geval de wegen van de Godheid niet begrepen.
[15] Toen werd Mijn ziel bevangen door een diepe weemoed, omdat in de harten van hen, die nu zo lang naar Mij hadden geluisterd en zoveel prachtige werken van de in Mij wonende geest Gods hadden gezien, toch nog zo weinig werkelijk levend geloof was gegroeid. En alle kracht van Mijn ziel als Mensenzoon balde zich samen in de vurige wens om de slang, die verhinderde dat de kinderen volkomen helder zagen, geheel en al te vernietigen, opdat de levensboom in hen zou gedijen en heerlijke vruchten zou dragen.
[16] Dit gebeuren in Mijzelf duidt de evangelist aan met de woorden: 'Hij werd verbolgen in de geest en bedroefd'*(* Joh.11:33.).Want zolang Mijn lichaam niet gestorven was, had net als bij ieder mens de volledige versmelting van het materiële en geestelijke nog niet plaatsgevonden, maar eiste de Zoon des mensen evenzeer zijn rechten als lichamelijk mens op als ieder ander, was onderworpen aan de behoeften van het lichaam alsook aan stemmingen van de ziel, die alleen door het geloof en een vaste wil vanuit twijfels tot weten verheven werden en zo de volledige eenwording van lichaam, ziel en geest tot stand brachten.
[17] Vanaf dat ogenblik, toen de Godheid in Mij in het eenzame dal de laatste poging had gedaan om met Lucifer te redetwisten, trad ook de Mensenzoon weer meer op de voorgrond, die in Getsemane tenslotte alle zielenangsten en de voorsmaak van de dood moest doormaken om alle grendels van dood, ongeloof en twijfel te verbreken, ongeacht de almachtige Godheid, die met één woord haar schepping had kunnen vernietigen, maar om haar te redden Zichzelf dieper verdeemoedigde dan het laagste schepsel.
[18] Deze woorden zijn zeer noodzakelijk, opdat iedereen die goed in zijn hart opneemt en leert begrijpen; anders zal hij nooit begrijpen waarom Ik eens in het vlees kwam, leed en stierf, en wat ten grondslag ligt aan deze schijnbare dubbele natuur van Mensenzoon en Godszoon.
«« 35 / 77 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.