Cyrenius’ dank; edelmoedigheid en wijsheid van de bescheiden Jozef. Cyrenius draagt acht arme kinderen ter opvoeding over aan Jozef

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 107 / 302 »»
[1] Cyrenius wendde zich nu tot Jozef en zei: ‘Waarde vriend en broeder, in jouw huis heb ik in alle opzichten mijn grootste geluk ge­vonden; vertel mij nu eens waarmee ik jou kan belonen!
[2] O zeg op, hoe zou ik jou ook maar enigszins kunnen vergelden, wat je allemaal voor mij hebt ge­daan?
[3] En kom nu niet met deze villa aanzetten; als beloning voor jou komt zo iets onbeduidends en el­lendigs niet in aanmerking!’
[4] Jozef antwoordde: ‘Maar beste broeder en vriend, wat denk je nu wel van me?
[5] Denk je soms dat ik, als een soort handelaar in weldaden, erop uit zou zijn om goed te doen tegen beloning? 6. ­ Als je zoiets van mij denkt, dan ben je er wel helemaal naast!
[7] Ik zou niets armetierigers weten dan een betaalde weldoener of een betaalde weldaad!
[8] Werkelijk, ik zou mezelf en de dag en het uur, waarop ik ge­boren ben, vervloeken, als ik ook maar één cent van je zou moeten aannemen!
[9] Neem jij de gezuiverde Tul­lia nu maar blijmoedig tot je vrouw! En alles wat je voor haar zult doen en voor andere armen, dat zal ik dan te allen tijde be­schouwen als een redelijk goed loon voor hetgeen ik voor jou heb mogen doen !
[10] Maar doe me een genoegen en bespaar dit huis iedere verde­re schenking! Wat ik thans bezit is genoeg voor ons allemaal. Waar­toe dan nog meer?!
[11] Of denk je soms dat ik voor Eudokia kostgeld zou willen vra­gen? Nou daarvan mag je ook af­zien!
[12] Ik zal haar opnemen als een dochter en haar in Gods genadeleer onderrichten.
[13] En ken jij dan soms een va­der, die zich door wie dan ook zou willen laten betalen voor de op­voeding van zijn dochter!?
[14] Ik bezweer je dat Eudokia voor mij meer betekent dan de hele wereld; op heel de wereld is er derhalve geen toereikend loon voor haar denkbaar!
[15] Het grote loon dat ik voor al mijn daden heb ontvangen, kijk. ..dat ligt nu op de arm van Eudokia!’
[16] Toen Cyrenius een derge­lijke grote onbaatzuchtigheid van Jozef ontwaarde, zei hij diep ont­roerd:
[17] ‘Werkelijk, ten overstaan van God en van alle mensen op aarde ben jij een mens bij uitstek, een mens boven alle mensen!
[18] Jou passend met woorden roemen zou een vergeefse poging blijven, want jij overtreft elk menselijk woord.
[19] Maar ik weet al wat ik zal doen om blijk te geven van mijn alles te boven gaande achting voor jou!
[20] Ik zal je een geschenk ge­ven, dat je zeker niet zult afwij­zen!
[21] Je moet namelijk weten dat ik te Tyrus vijf meisjes en drie jongens heb, geadopteerd van hulpbehoevende ouders, die ove­rigens zijn overleden.
[22] Die kinderen zal ik hier bij je laten brengen, dan kun jij ze opvoeden!
[23] Je kunt er uiteraard op re­kenen dat ik voor hun onderhoud zal zorgen.
[24] Zou je dit aanbod kunnen weigeren? Nee Jozef, achtens­waardigste broeder van me, dat zul je zeker niet doen!’
[25] Diep bewogen antwoordde Jozef: ‘Nee broeder, inderdaad: dat zal ik je niet weigeren! Die kinderen moet je zeker, en wel zo vlug mogelijk hier naartoe sturen; in al hun behoeften zullen zij zo goed mogelijk worden verzorgd.’
«« 107 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.