Een naderende onweersbui. Jozef geeft raad. Voorgevoelens van de leeuwen. Hun vlucht naar het bos

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 131 / 302 »»
[1] De andere leden van het gezel­schap, die zich eerder in alle rich­tingen over de uitgestrektheid van de brede bergtop hadden ver­spreid, kwamen kort na elkaar met bedrukte gezichten terug.
[2] Zij hadden namelijk gezien, dat zich in het zuidwestelijke deel van Egypte enorme zwarte wol­ken samenpakten, hetgeen altijd de komst van zware stormen betekent.
[3] In noordoostelijke richting, naar de kant van Ostracine was de lucht weliswaar nog volkomen helder, maar des te huivering­wekkender zag het er aan de an­dere kant van de berg, zoals ge­zegd in zuidwestelijke richting uit!
[4] De terugkerenden drongen daarom aan op een snelle terug­tocht.
[5] Maar Cyrenius zei: ‘ Als dat nodig is, zullen wij het gauw ge­noeg van de machtige wijzen hier te horen krijgen!
[6] Zolang zij er rustig onder blijven, hoeven ook wij er geen grijze haren van te krijgen!’
[7] Maronius en de stadscom­mandant wierpen echter tegen: ‘Gelijk hebt U, maar gaat U eens op die kleine heuvel staan, en kijkt U eens in die richting, dan zult U ongetwijfeld onze mening delen!
[8] Daar ziet het er namelijk uit alsof alle furiën samen de aarde in een keer in brand hebben gesto­ken!’
[9] Nu vroeg Cyrenius dan maar aan de lichtelijk sluimerende Jozef:
[10] ‘Broederlijke vriend, heb je gehoord, welke waarschuwing deze mensen hier aan mij geven?’
[11] Maar Jozef antwoordde: ‘Ik was een dutje aan het doen, en ik heb geen idee waar jullie het over gehad hebben. ,
[12] ‘Sta dan maar eens op,’ zei Cyrenius, ‘en ga maar eens met mij op dat heuveltje, dan zal je direct duidelijk worden, waarover wij het hadden!
[13] Jozef stond nu inderdaad op en ging met Cyrenius het heu­veltje op.
[14] Daar aangekomen, wees Cyrenius dadelijk op de zeer drei­gend uitziende naderende storm.
[15] Jozef zei: ‘Wat zou je dan willen doen?
[16] Vluchten soms? Waarheen dan? Binnen een kwartier zal die storm ongetwijfeld hier zijn!
[17] Minstens anderhalf uur hebben we nodig om in Ostracine te komen. De storm zal ons allang hebben ingehaald voordat we door het bovenste gedeelte van het bergwoud heen zijn!
[18] En wat zullen we dan in die onveilige holle weg moeten doen, als we omringd zullen zi jn door talrijke wilde beesten, die bij zwaar weer graag in dergelijke ra­vijnen gaan schuilen?!
[19] En stel dan eens dat er dan boven onze hoofden een wolk­breuk losbarst, en dat de daardoor veroorzaakte stromen ons dan meedogenloos meeslepen de diepte in. ..wat moeten we dan?
[20] Mij dunkt dat we er beter aan zullen doen hier boven te blij­ven; hier kunnen we hoogstens nat worden, terwijl ons daaren­tegen in het bos allerlei onheil kan overkomen.
[21] Met deze raad tevreden, ging Cyrenius met Jozef weer te­rug naar hun plaatsje onder de vijgeboom.
[22] Cyrenius’ gezelschap trok echter een zeer bedenkelijk ge­zicht. ..en dat vooral, toen zij de drie leeuwen plotseling zagen op­springen en het bos invluchten.
[23] Maronius richtte zich nu zelf maar tot Jozef: ‘Kijk, die drie ons trouw gebleven dieren hebben vast een voorgevoel van de ramp, die ons hier te wachten staat; ze hebben hun heil gezocht in ~de vlucht! Moeten wij niet hetzelfde doen?’
[24] Maar nu zei Jozef: ‘Niet van de dieren moet een mens Ieren wat te doen, maar van de Heer van de natuur Zelf!
[25] Ik acht mijzelf verstandiger dan een dier; daarom blijf ik hier , wacht rustig de storm af, en breek pas op als die voorbij is. .., ge­steld dat er een komt!’ Met deze beslissing stelden zich allen tevre­den, en ze bleven daar in bange afwachting.
«« 131 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.