Jakob Lorber – De jeugd van Jezus
«« 134 / 302 »»
[1] Toen ze bij de villa terug waren, werd het gezelschap door Jozefs zonen, maar vooral ook door de thuisgebleven jongelingen, allerhartelijkst begroet.[2] De zonen van Jozef lieten hun vader nu eerst zien wat zij intussen allemaal hadden gedaan om aan zijn wensen zo goed mogelijk”te beantwoorden.
[3] Intussen vertelde de oudste zoon aan Jozef, wat er in de omgeving van Ostracine inmiddels allemaal voor wonderlijks was gebeurd.
[4] Vooral de plotselinge brand in de stedelijke residentie had alle bewoners verschrikt!
[5] Maar toen deze zich opmaakten om de brand te blussen, was die ineens gedoofd, en was er van het geweldige vuur zelfs geen spoor meer te ontdekken geweest!
[6] ‘En daarna zagen we plotseling dat de berg zich in vurige wolken hulde en dat duizenden bliksems elkaar als het ware verdrongen!
[7] Wij dachten, zo moet de Sinaï er hebben uitgezien bij de Openbaring Gods aan onze Vaderen.
[8] Wij maakten ons grote zorgen om jullie, maar de jongelingen hebben ons getroost en ons verzekerd, dat geen van jullie ook maar een haar zou worden gekrenkt!
[9] Op het moment, waarop zich die verhulling van de berg in vurige wolken begon te voltrekken, werden wij overigens toch nog hevig verschrikt:
[10] Vanuit de richting van de berg renden er namelijk drie geweldige leeuwen met grote sprongen op ons af!
[11] Wij schrokken vreselijk, maar de jongelingen zeiden: ‘Weest maar niet bang; deze die ren zoeken beschutting in de woning van Hem, aan Wien alles moet gehoorzamen!’
[12] En ja hoor, zo was het! De drie leeuwen renden onmiddellijk onze wagenloods in; daar zitten ze nu nog, rustig en kalm!
[13] Toen de storm was gaan liggen, zijn wij er met enkele jongelingen heen gegaan om die reusachtige dieren te bekijken.
[14] Direct kwamen ze overeind en gaven ze onmiskenbare tekenen van genegenheid en vriendschap!’
[15] Nu zei Jozef: “t Is best zo, m’n jongen, wij hebben dat ook allemaal beleefd! Bijna was je verhaal mij wat al te lang geworden!
[16] Ga nu maar eens het eten op tafel zetten. Wij hebben allemaal behoefte aan versterkingen, de bergtocht heeft ons flink vermoeid! ,
[17] Direct gingen de zoons, samen met de overige jongelingen naar de keuken en de provisiekamer, en in korte tijd was alles gereed.
[18] Cyrenius zei het maar uiterst vreemd te vinden, dat de drie wilde beesten hun toevlucht hier hadden gezocht, in plaats van in hun holen te kruipen.
[19] ‘Straks blijven ze nog hier,’ zei hij, ‘om het huis te bewaken; daar bestaan namelijk bij deze diersoort al enkele voorbeelden van!’
[20] Jozef zei: “t Is mij allemaal wel best, als dat is wat de Heer zou willen.
[21] Maar, het zou evengoed kunnen zijn, dat die dieren jou volgen om je schip te beschermen.’
[22] Cyrenius sprak: ‘Dat zal mij ook best zijn, als de Heer dat zou willen! Alhoewel de Heer mij ook best zonder die leeuwen kan beschermen!’
[23] Terwijl hij dit zei kwamen nu de leeuwen te voorschijn, stelden zich rondom Cyrenius op, en gaven hem blijken van hun genegenheid!
[24] En Cyrenius zei: ‘Dat is merkwaardig! Beste broeder, als jij ook maar iets zegt, dan gebeurt dat dadelijk al!’
[25] N u zeiden de beide jongelingen: ‘Vannacht nog zullen deze drie leeuwen U goede diensten bewijzen !
[26] De Heer kent immers altijd de meest geëigende middelen om iemand te helpen!
[27] Dergelijke dieren waren reeds vaker in goddelijke dienst, en dat is dan ook de reden dat ze nu wéér zijn uitverkoren, en wel om U in een dringende zaak van dienst te zijn! Zó geschiede het!’
«« 134 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.
