Cyrenius bezorgd over de scheepsuitrusting. Engelachtig-goede raad. Cyrenius dankt Jozef en het Kindje. Voorspelling van een bijzonder reisavontuur

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 155 / 302 »»
[1] Die avond werd er nogmaals een maaltijd bereid en verorberd, waarna toebereidselen werden ge­troffen om de volgende morgen te kunnen vertrekken.
[2] Voor zover Cyrenius en diens gevolg wisten, was het nieu­we Carthaagse schip echter nog helemaal niet geladen of voor­zien, zodat Cyrenius zich toch hei­melijk wel wat zorgen maakte.
[3] Maar er trad een jongeling op hem toe, die zei: ‘Quirinus, ook heimelijk hoef je je om niets te bekommeren!
[4] Datgene, waarover je je zor­gen maakt, is namelijk allang ge­regeld, en wel op de best denk­bare wijze.
[5] Je moet er nu alleen nog voor zorgen, dat dit huis van je tijdens je afwezigheid goed be­heerd wordt; wij van onze kant zullen voor al het overige zorg­dragen, en wij doen dat in de Naam van de Heer God-Ze­baoth.’
[6] Cyrenius geloofde dit, en maakte zich nu verder geen zor­gen meer over de scheepsaange­legenheden.
[7] Hij riep wel de hoofdman bij zich, en droeg hem de leiding over de burcht op en het beheer daar­over.
[8] Nadat de hoofdman dus weer zijn normale dienst had op­genomen,
[9] liet Cyrenius de overste nog bij zich komen en verleende hem opnieuw het bevel over de in deze stad gelegerde troepen.
[10] Het was een overste van de Romeinen namelijk in tegen­woordigheid van een stadhouder niet geoorloofd de troepen naar eigen goeddunken te commande­ren; in deze omstandigheid was de stadhouder namelijk om zo te zeg­gen de enige chef.
[11] Alles nu geregeld zijnde, stapte Cyrenius op Jozef toe, en zei:
[12] ‘Dierbare, ja, ik zou zelfs willen zeggen: heilige Vader en Broeder van me! Wat heb ik jou, en heel in het bijzonder jouw al­lerheiligste Kindje, toch ontzet­tend veel te danken
[13] Hoe, wanneer en waarmee zal ik ooit in staat zijn deze grote schuld in te lossen
[14] Jij hebt mij Tullia geschon­ken en mij op wonderbaarlijke wijze het leven gered
[15] Ik zou alle wondere welda­den, die jij mij hebt bewezen, niet eens kunnen tellen, alhoewel ik mij hier slechts korte tijd heb op­gehouden!’
[16] Maar Jozef antwoordde hem: ‘Vriend, hoelang is het dan wel helemaal geleden dat ik zelf in de grootste moeilijkheden ver­keerde?
[17] Toen ben jij mij als een red­dende engel van de Heer tege­moet gezonden!
[18] En zo wast, van het grote lichaam der totale mensheid de ene hand voortdurend de andere
[19] Laten we daar dus maar lie­ver verder over zwijgen! Inmid­dels is het avond geworden. De villa ligt nog een uur gaans van de stad. Laat mij dus maar opbreken en naar huis gaan.
[20] Mijn zegen, en die van de Heer, mogen rijkelijk je deel zijn, en dat geldt ook voor je reisgezel­len; je kunt dus getroost van hier vertrekken
[21] Maar, neem wel de drie leeuwen mee op je schip: ze zullen je goed te pas komen
[22] Jullie zullen namelijk in een storm terechtkomen En naar Kreta afgedreven worden, waar roofzuchtige Kretenzers jullie zul­len overvallen.
[23] Daar zullen de drie leeu­wen jullie weer goed van dienst zijn.’
[24] Nu werd Cyrenius angstig. Maar Jozef troostte hem en ver­zekerde hem dat niemand van hen ook maar het geringste te lijden zou hebben.
«« 155 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.