Verdere bespiegelingen over de maan van Jozef en Jonatha. Jezus doet over de maansverduistering een licht opgaan

Jakob LorberDe jeugd van Jezus

«« 176 / 302 »»
[1] Thuisgekomen zei Jonatha te­gen Jozef: ‘Broeder, waar zal deze noodlottige geschiedenis nog op uitdraaien?’
[2] Kijk toch alsjeblieft eens uit het raam; dat ik dat nog beleven moet! Heel de maan is met huid en haar vergaan!
[3] En buiten is het nu aarde­donker!
[4] Ja, ja, ik heb al vaker van zeer geleerde heidenen gehoord, dat een mens de hemellichamen niet mag tellen, en er ook niet al te star naar kijken,
[5] want anders zou het gemak­kelijk kunnen gebeuren, dat ze daardoor op de aarde zouden val­len!
[6] Zou de mens bij toeval zijn eigen leidster treffen, dan zou die kunnen neervallen, in welk geval die mens tevens verloren zou zijn!
[7] De maan is immers ook een hemellichaam, waarom zou die niet aan dezelfde wonderlijke wetten onderworpen zijn?
[8] Het zou wel eens kunnen zijn, dat wij haar hebben getrof­fen, en dat ze ergens in brokken is neergestort op aarde, want ik heb een aantal deeltjes zien wegschie­ten!
[9] Of zou het Soms kunnen zijn, dat wij nu door de maan be­zeten zijn, zodat we maanziek worden? Dat zou dan een vrese­lijke bezoeking voor ons kunnen worden!
[10] Een van die dingen zal ze­ker wel het geval zijn, want het is overduidelijk, dat de maan niet meer bestaat. Het is alleen de vraag: wie heeft haar opgeslokt of waar is ze gebleven!?’
[11] Jozef antwoordde: ‘Ik be­denk, wat ik al eerder heb ge­hoord dat de maan, zoals ook de Zon, wel eens verduisterd wordt.
[12] Dan zou dat nu best eens het geval kunnen zijn, alhoewel ik mij niet kan herinneren ooit iets dergelijks te hebben gezien!
[13] Van oude mensen heb ik gehoord, dat bij tijd en wijle Gods engelen deze beide hemelse lam­pen oppoetsen, zoals wij dat doen met een lamp als de pit gesnoten moet worden.
[14] Bij dat werk wordt het op aarde dan wat donker. Zoiets zou nu ook best het geval kunnen zijn!
[15] Want het fabeltje, dat een draak die twee hemellichamen zou kunnen verslinden, dat lijkt me toch wel wat al te dol: goed voor het duisterste heidendom!’
[16] Terwijl Jozef en Jonatha dit met elkaar overlegden, begon de maan aan de andere zijde weer zichtbaar te worden.
[17] De kinderen en de zonen van Jozef bemerkten dat en zei­den: ‘Kijk kijk, de maan komt al weer te voorschijn!’
[18] Nu keken beiden naar bui­ten, en bij Jonatha viel er een steen van zijn hart toen hij de maan weer te zien kreeg.
[19] Nu vroeg Jozef het Kindje, hoe zoiets in z’n werk zou gaan.
[20] Het Kindje zei: ‘Laat die arme maan toch eerst eens te voorschijn komen uit de schaduw, die de aarde erop werpt, dan kun­nen we zien of zij veranderd is!
[21] De aarde is immers geen li­chaam zonder einde, maar zij is rond, net als de sinaasappel, die Ik zojuist heb gegeten.
[22] Zij zweeft vrij rond en er­om heen is er een eindeloze ruim­te; daardoor kunnen de stralen van de zon haar altijd van alle kan­ten belichten.
[23] Maar dat betekent ook, dat die grote aardbol een schaduw werpt. ..en komt de maan daar­in, dan wordt zij donker, omdat die anders ook door de zon wordt verlicht. Hiermee moeten jullie het maar doen!’ Stomverbaasd ke­ken Jozef en Jonatha elkaar nu aan: ze hadden geen weerwoord meer.
«« 176 / 302 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.