In de Adamsgrot

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 1)

«« 56 / 187 »»
[1] Toen Henoch zijn korte toespraak had uitgesproken, zie, toen sprong Seth van vreugde op, omarmde Henoch en zei: "O vader Adam, wat is het woord van de liefde toch kort op het lichte pad van haar wijsheid en toch zo duidelijk, krachtig, vol leven en doeltreffend.
[2] Als het trage verstand van de mens moeizaam alle sterren telt, al twijfelend en moeizaam de paden van de winden naspeurt, naar het trekken van de wolken staat te kijken, de slapende nevelen in de dalen wil opschrikken uit hun zegenrijke rust, de dauwdruppels gewichtig doende onderzoekt en het gras, de planten, de struiken en alle bomen haast dwaas en onzinnig zou vragen hoe zij mogelijk gedurende de nacht gerust hebben, om eindelijk na al deze zinloze inlichtingen een evenzo onbelangrijk oordeel te vellen, waaruit men dan aangaande de komende oogst desnoods al radend en met halve zekerheid meent te moeten concluderen of deze goed, middelmatig of slecht uit zal vallen, en waarbij dit alles bovendien altijd nog berust op een langdurig overleg, - dan is immers een dergelijke uitleg van Henoch puur uit de hemel afkomstig en zij ontslaat ons van al die verder geheel zin - en waardeloze waarnemingen, waaraan naar mijn inzicht nu evenveel waarde gehecht kan worden als aan de tijd die honderd jaar geleden reeds zonder een spoor achter te laten is verstreken.
[3] O lieve Henoch, ga door met de tekenen van het leven in ons uit te leggen en ik ben ervan overtuigd, dat een dergelijke uitleg van de tekenen oneindig maal nuttiger zal zijn dan wanneer wij in staat zouden zijn tweegesprekken te voeren met alle sterren, zonnen en manen, maar niets zouden begrijpen van wat toch de oorzaak van al onze opwinding is en wat al onze gevoelens en ondervindingen ons zeggen, en op welke manier de eeuwige liefde zich bijvoorbeeld in ons uit en we haar herkennen, en door haar het eeuwige leven in onszelf!
[4] O kinderen, dat staat oneindig veel hoger dan al de te oogsten velden en vruchtbomen, waarbij wij ondanks al onze waarnemingen en verwachtingen gedurende de voorsabbat toch niet in staat zijn ook maar één appel of welke andere vrucht dan ook voort te brengen en waarbij de Heer ondanks al onze onnodige zorgen toch slechts datgene doet wat overeenkomt met Zijn liefde, wijsheid en heiligheid!
[5] O Henoch, spreek en leg maar steeds uit, opdat ons onbuigzaam geworden hout en onze loten naar de woorden van Kenan spoedig zegenrijke vruchten van het eeuwige, onvergankelijke leven zullen mogen dragen! Amen."
[6] En daarop verhief Adam zich en zei: "Amen, wees gezegend, mijn geliefde Abel-Seth en laat vooral Henochs levende tong gezegend zijn en laten al mijn kinderen die een goed en vroom hart hebben, gezegend zijn!
[7] Maar laten wij nu gaan en al onze werkende kinderen bezoeken en hen de morgen te houden sabbat aankondigen, en datgene wat zij dan verwachten kunnen van de in zo hoge mate gezegende tong van onze lieve, wijze en vrome Henoch!
[8] Moge de Heer al onze schreden voor ongemak behoeden! Amen."
[9] Hierna stonden allen op en met Eva aan de zijde van Seth en Adam naast Henoch, traden zij welgemoed de woning uit. De kinderen bogen allemaal voor de oude woonstee van hun vader en lieten hem toen aan Henochs zijde vooropgaan; hierna volgden Seth met Eva en daarna tenslotte de overige aanwezige kinderen van de hoofdstam.
[10] Toen zij nu de richting van de morgen insloegen en reeds een tamelijke grote afstand hadden afgelegd, kwamen zij aan bij een grot, waaruit een zeer zuivere bron vloeide en deze grot was bekend onder de naam 'Adamsrust' en de bron onder de naam 'Eva's tranen beekje'. Daar placht Adam altijd uit te rusten; en zo werden er ook ditmaal besprekingen gehouden.
[11] De grot was zeer ruim, zo ruim zelfs, dat daar gemakkelijk twintigduizend mensen ondergebracht konden worden; maar het belangrijkste van deze grot was de volgende zeldzaamheid. Hij had namelijk ten eerste een hoogte van honderd manslengten en was eigenlijk meer een tunnel door een berg dan een echte grot. Deze doorgang was daarom zo bijzonder beroemd, omdat hij in de richting van de morgen uit een groot groen en geel, kegelvormig bergkristal bestond. In het midden daarvan bevond zich een hoog opspuitende bron, waarin het licht van de zon door verschillend gekleurde kristallen prisma's in duizenden kleurschakeringen weerkaatst werd.
[12] Hoewel het licht, zij het minder sterk, ook op verschillende andere punten doordrong en deze tamelijk lange tunnel prachtig mooi verlichtte, was echter het reeds vermelde middelpunt met de sproeiende bron toch het wonderlijk bekoorlijke en heerlijkste deel van deze doorgang, hetgeen alles wat jullie tot nu toe bekend is hemelsbreed overtrof.
[13] Zie, daarom was deze doorgaande grot een lievelingspiek van Adam en het was, uitgezonderd de kinderen van de hoofdstam, zelden aan anderen toegestaan door deze grot te gaan, - evenwel niet uit een soort afgunst, maar slechts uit vrees, dat een licht ontvlambaar gemoed tot het aanbidden van zo'n wonderoord vervoerd zou worden.
[14] Toen nu deze hoofdgroep zich in het midden van de grot bevond, waar om het brede, ronde gouden waterbekken heen een aantal goedgevormde, veelkleurige blokken van edel kristal lagen, waarvan één 'de gouden vaderstoel' heette, ging Adam een poosje zitten en dus mochten ook al de overigen zijn voorbeeld volgen; alleen Henoch bleef naast Adam staan.
[15] Toen Adam dat merkte, zei hij tegen hem: "Lieve Henoch, waarom doe je niet wat ik en de anderen doen? Kijk, aan mijn rechterzijde is een echt geriefelijk blok van groen kristal; ga daarop zitten en rust samen met mij en de overigen wat uit!"
[16] En Henoch deed meteen wat Adam wenste, maar zei: "O vader Adam, kijk, omdat je me toestaat op de steen van Seth uit te rusten, kan ik dat wel doen, omdat jouw woord hoger staat dan het woord van al de overige vaderen; maar indien ik zonder jouw verlof daarop was gaan zitten, zie, dan was ik' zeer vermetel geweest en zou ik het zeker verdiend hebben door Seth en al de andere vaderen met toornige blikken aangekeken te worden! 0 lieve vaderen, vergeef me dat ik dit durf te doen; want ik wil steeds gehoorzaam handelen ten opzichte van alle vaderen en er zal nooit iets door mij worden gedaan, dat ooit tot gevolg zou kunnen hebben dat ik jullie liefde niet waard ben! Amen."
[17] En Seth stond op en zei, terwijl hij zich naar Henoch wendde: "O mijn geliefde, al te deemoedige, bescheiden Henoch, weet je dan niet dat je allang het mooie middelpunt van onze liefde geworden bent? Kijk, kijk, je zou zeker voor jezelf een zitplaats in mijn hoofd kunnen maken; want in onze harten heb je dat reeds lang gedaan, - en het hoofd is niet voortreffelijker dan het hart!
[18] Daar wij je reeds lang onze liefde en ons leven tot woonstee gaven, waarom zouden wij ons dan bekommeren om een koude steen waarop je gaat zitten? Wees daarover maar volledig gerustgesteld! Maar zie, ik en zeker ook alle anderen houden zich met wat anders bezig: kijk nu eens naar deze heerlijke plek! Lieve Henoch, laat hier je gezegende tong ongehinderd de vrije loop! Amen."
[19] Toen Adam en de overigen deze vrome wens van Seth gehoord hadden, zie, toen werd Henoch meteen van alle kanten bestormd om vanuit zijn hart iets liefdevols en verhevens over deze tunnel te zeggen.
[20] En de zo zachtaardige, gehoorzame Henoch liet zich, net als anders, ook ditmaal niet voor de tweede keer vragen, maar stond direct op, boog voor de vaderen en begon de hierna volgende gedenkwaardige woorden tot hen te richten:
[21] "O lieve vaderen, op deze rustplaats van Adam word ik uitgenodigd te spreken, zonder te weten wat ik eigenlijk zal zeggen en waarover ik zal spreken! O lieve vaderen, tot nu toe was het nog altijd de gewoonte dat, indien iemand iets van de ander te weten wilde komen, hij de drager van het geheim toch op zijn minst met een vraag lastig viel, waardoor hij de ander te kennen gaf dat hij van zijn kant iets nog niet wist.
[22] Maar ik moet nu spreken zonder dat mij iets bepaalds gevraagd werd!
[23] Het zij zo; want dan is mijn tong vrij en kan datgene uitspreken wat mijn oog in gloeiende tekens in mijn hart zeer duidelijk gegrift ziet staan! En deze tekens zijn levende pennenstreken van de eeuwige liefde en de zich over alles erbarmende genade van de eeuwige, heilige Vader in mij; en daarom wil ik nu eens van hieruit spreken en een onsterfelijk gesprek voeren vanuit mijn en jullie God, vanuit mijn heilige Vader, die vol is van liefde en vanuit jullie heilige Vader, die vol is van liefde, genade en algehele erbarming!
[24] O lieve vaderen, deze grot is een getrouw beeld van het menselijke hart, zoals het zich tot God verhoudt! Waarheen wij onze ogen ook richten, wij kunnen geen enkel punt ontdekken waardoor geen schijnsel komt, behalve de bodem die ons draagt.
[25] Kijk eens omhoog naar de door duizend kleurige lichtjes helder verlichte top van het bergkristal; dan zien wij hoe heerlijk juist dit mooie licht deze levendige, hoog opspringende bron wondermooi belicht en tot leven wekt!
[26] Wie zou in staat zijn om de pracht te beschrijven die duizendvoudig veranderd in één ogenblik en reeds het oog van de kijker verrast omdat iedere neervallende druppel op een ster lijkt, die stoutmoedig hemelwaarts streeft en dan, als straf voor zijn vermetelheid, nog nagloeiend weer terug wordt geslingerd.
[27] Ja, als wij onze ogen naar de morgen keren, dan schijnt uit de brede gang ons een groen licht tegemoet; kijken wij in de richting vanwaar wij zijn gekomen, dan schijnt uit de gang ons een geel en tenslotte een geheel bloedrood licht tegemoet; en zo verrast steeds weer een ander licht ons oog, waarheen wij ons ook maar wenden!
[28] Wanneer wij dan verzadigd zijn van verwondering, zeggen wij door de grote heerlijkheid ten diepste geroerd: 'O grote God, wat een verheven schoonheid en een boven alles uitstijgende heerlijkheid heeft al hetgeen U gemaakt hebt, Heer! Wij eerbiedigen Uw werken en U zegent ons daarvoor met een louter zalig genoegen, - want voor ons hebt U ze immers gemaakt en daarom verheugen wij ons daarover in hoge mate en willen U daarvoor altijd loven, prijzen en danken dat U zulke heerlijke dingen gemaakt hebt voor ons, die U in Uw grote erbarmen waardig hebt bevonden Uw kinderen te noemen.'
[29] O lieve vaderen, dat wij zoiets doen is terecht en redelijk; maar indien wij slechts een weinig in ons hart willen inkeren en daaraan vragen of de grote Bouwmeester van deze verheven dingen uit Zijn oneindige liefde en wijsheid, juist deze verheven wonderlijke dingen alleen tot vermaak van onze zinnen gemaakt heeft, of dat Hij hierin misschien andere dingen voor ons verborgen heeft, die wij vervolgens moeten zoeken en vinden ter ware verheerlijking van Zijn heilige naam, - O vaderen, dat is een andere vraag!
[30] Zie, slechts één zon laat haar witte stralen vallen over de kam van de berg, die uit edel bergkristal bestaat; maar wat voor een uitwerking heeft dat ene licht van de zon in deze grot!
[31] O laten wij eens omhoog kijken! Wie zou die talloze vormen kunnen overzien, die bij iedere rusteloze oogopslag reeds tot het oneindige verveelvoudigd wordt, - en toch is dat allemaal de werking van een en hetzelfde licht!
[32] O vaderen, zie, de Heer heeft hier voor ons wel een heel groot gedenkteken geplaatst!
[33] Wij, in ons aardse bestaan, zijn deze grot, met een ingang vanuit de avond en een uitgang in de richting van de eeuwige morgen. In het midden zijn wij zoals wij zijn in de volheid van het aardse leven en gaan vanuit de avond als kinderen de genade en erbarming binnen en zien niets anders dan alleen maar het middelpunt van het leven voor ons, zonder te bedenken dat deze levensgrot niet gesloten is, maar dat er wel degelijk voor ons allen een tegenoverliggende uitgang in de richting van de morgen wordt opengehouden.
[34] O lieve vaderen, het lieflijke vlammetje van de eeuwige liefde is ook een eenvoudig licht! Het gezichtsvermogen van onze ziel is deze verheven top. Deze bron komt overeen met onze geest, die voortdurend omhoog streeft naar het licht, maar die aanhoudend teruggewezen wordt met de lering:
[35] 'Waarom streef jij, onmachtige, naar omhoog?! Daar is geen weg voor jou, maar blijf of keer terug in het gouden bekken van je deemoedig gehoorzamende liefde! Bekijk daar jezelf in de beproevende misleiding van het licht van je ziel en wees altijd bereid het beekje in de richting van de morgen te volgen; pas daar zullen de machtige stralen van de genadezon je omvatten en je in de volste vrijheid van je leven als vurige wolkjes daarheen optrekken, vanwaar je gekomen bent!'
[36] O lieve vaderen! Daar wij reeds eerder in de woning over de tekenen nadachten, kan ook deze uitleg daartoe gerekend worden! Amen."
«« 56 / 187 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.