De ontmoeting van koning Ohlad met de negenennegentig raadsheren van Hanoch. De eigenwijze woorden van een raadsheer en het krachtige antwoord van Ohlad.

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 3)

«« 170 / 366 »»
[1] Thuis in de oude burcht van Lamech aangekomen, wees hij de tien ministers dadelijk hun woningen toe en begaf zich toen weer met de tien naar de nieuwe, grote, gouden residentie van de voormalige duizend raadsheren om daar de nog overgebleven negenennegentig raadsheren hun ontslag te geven als zij zich niet aan de goddelijke wet wilden onderwerpen.
[2] Maar Ohlad, die door de negenennegentig als verloren werd beschouwd, kwam met het tiental juist de grote raadzaal binnen toen de nog overgebleven negenennegentig om hun schijnkoning waren verzameld en zich beraadden of zij de raad van duizend weer volledig zouden maken of niet. Of moesten zij het bij honderd laten en alleen in plaats van Ohlad een man uit de burgerstand kiezen? Of moesten zij het slechts bij hun tegenwoordige aantal laten?
[3] Het plotselinge verschijnen van Ohlad temidden van de tien schrikaanjagende mannen bracht de negenennegentig raadsheren alsook hun schijnkoning in de grootste verlegenheid en maakte hen ook behoorlijk angstig.
[4] Zij beëindigden daarom ook meteen de vergadering, stonden van hun plaatsen op en ontvingen aanvankelijk Ohlad en het tiental met schijnbaar de grootste vriendelijkheid, - maar vroegen hem, daar ze toch zeer nieuwsgierig van geest waren, hoe zijn goede maar hoogst gewaagde zaak onder zulk ongehoord tekeergaan van de elementen was afgelopen en wat het gevolg daarvan zou zijn.
[5] En Ohlad zei: 'Hier zijn nu mijn ministers! Die zullen jullie het juiste antwoord geven!'
[6] Toen de negenennegentig deze woorden uit de mond van Ohlad hadden vernomen, wisten zij al ongeveer hoede kwestie zou uitpakken, en een van hen zei ietwat grappig:
[7] 'Als die tien jouw ministers zijn, dan hebben wij het antwoord al, en ik zie mijn oude grondregel bevestigd volgens welke het geluk altijd de domste individuen uitzoekt en de wijzen laat zitten!
[8] Want jouw onderneming om de tempel weer te openen is te vermetel, dan dat een waarachtig nuchter wijs man daar ook maar één nutteloos woord aan zou besteden!
[9] Dat het je echter als een blinde kip is gelukt om er heelhuids doorheen te komen en als een uitzinnige ezel die tien vuurtijgers tot je vrienden te maken, dat hoort in de analen van de wereld met als titel in gouden tekens: `Hoogste toppunt van ezelsgeluk!'
[10] Dat jij onder ons algemeen erkend werd als de domste raadsheer, zal je hopelijk niet onbekend zijn en wel omdat jij en onze tegenwoordige schijnkoning, die evenals jij het maken van goud niet heeft uitgevonden, om dit waardige ambt hebben geloot, want er was overeengekomen dat de domste koning zou zijn.
[11] Kort en goed, hetgeen het lot je destijds heeft onthouden, dat heeft je ezelshuid je nu gegeven! Jij bent koning, en de tien vuurvreters zijn je ministers! Zij zullen je in de winter ongetwijfeld het best van dienst zijn! Maar dat wij onder jouw koningschap hier niet zullen blijven, dat zal ook zeker zijn!'
[12] En Ohlad zei: 'Ja, jullie zullen eruit vliegen, maar eerst zul je van mij nog enige wetten mee op je reis krijgen! Die dien je overal streng na te leven, - zo niet, dan zal God, de Heer, je tuchtigen met vurige roeden!
[13] Zie, ook dit hoort bij het ezelsgeluk, namelijk dat de Heer op ieder moment voor tuchtiging zorgt van de overtreders van mijn wetten!
[14] Maak je dus op om mijn wetten te ontvangen! Amen.'
«« 170 / 366 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.