Bij de gesloten zonnedeur - De verhouding van licht tot werkzaamheid - Gedragswenken voor de sfeer van de wijsheid

Jakob Lorber - Bisschop Martinus

«« 127 / 204 »»
[1] Het hele grote gezelschap volgt Mij nu naar de aangewezen deur, waar bisschop Martinus en Chorel met de vrouwen wachten tot Ik kom en de deur van het Licht voor hen openmaak. Er zijn bij elkaar nu al zo'n drieduizend in getal, zodat het daar een heel gedrang wordt. Maar omdat deze deur nu heel breed is, hebben de verschillende gasten toch nog genoeg plaats en kunnen ongehinderd de bodem van de zon bereiken en daar de wonderen van de Liefde zien, namelijk de wonderen van het Licht.
[2] Bij de deur komt Martinus Mij meteen tegemoet om Mij te vragen naar de oorzaak van het gesloten zijn van de deur, terwijl alle andere nu toch open stonden.
[3] IK zeg tegen hem: 'Vriend, broeder, heb je op aarde nooit iets gehoord of gelezen over de verschillende soorten van geboorte van mensen en dieren? Zie, elk wezen beschikt, behalve het oog, al in het moederlichaam over zijn zintuigen. Het voelt, het proeft, het ruikt; ook het oor is geopend. Maar het oog wordt pas geopend na de geboorte. Daarom is ook bij de geestelijke wedergeboorte het openen van de deur naar het Licht ofwel het openen van het geestelijke oog het laatste. Want voor iemand wil zien, moet hij daarvoor goed voorbereid zijn.
[4] Want als iemand in zijn huis gedurende de nacht een licht wil aansteken, moet hij toch eerst de nodige voorzieningen treffen, waardoor hij licht kan doen ontstaan. Moet hij dan niet een met olie gevulde lamp gereed hebben en een goede betrouwbare vuuraansteker? Wat moet hij met de vuuraansteker doen en hoelang zal hij werk hebben, tot hij daaruit het gewenste licht tot stand zal brengen? Er zal toch een tijdje voorbij gaan vóór het licht is. En een paar handelingen zullen er aan vooraf moeten gaan en het doel van al deze voorafgaande handelingen zal tenslotte het licht zijn. Als het licht eenmaal is ontstoken, dan kan pas tot een ander vruchtbaar handelen in het licht worden overgegaan; daarvóór kan daarvan echter redelijkerwijs geen sprake zijn!
[5] Als je dat overdenkt, zul je gemakkelijk inzien, waarom hier in dit huis alle andere deuren geopend zijn en alleen deze zonnedeur tot nu toe voor deze gasten gesloten was.
[6] Ik zie wel dat je Mij nu weer iets zou willen vragen en zeggen: Ja, als dat zo is, waarom heeft die deur voor jou dan al een paar keer open gestaan? En waarom is ze, toen jij ze voor de eerste en tweede keer betrad, niet de laatste deur geweest? Doch Ik zeg je: ten eerste behoor jij niet meer tot deze gasten die zich eerst op de wedergeboorte zullen moeten voorbereiden. Ten tweede, wat de andere deuren betreft die jij na de zonnedeur betrad, zo zal toch ook iedere geest zich na zijn wedergeboorte tot een of andere werkzaamheid in het licht of in helder inzicht en heldere kennis willen bekwamen?
[7] Of denk je soms nog, dat na het ontvangen van het licht er een eeuwig genotvol nietsdoen intreedt? O nee, dit verzeker Ik je, de juiste werkzaamheid begint pas in het licht. Vóór het ontvangen van het licht was elke handeling er alleen maar op gericht, het licht te ontvangen. Maar is het licht er, is de tempel van de zon geopend, dan pas begint de grote werkzaamheid van de wedergeboren geest!
[8] Of heb je op aarde ooit gezien, dat schooljongens een ambt bekleden? Eerst moet een leerling door menige studie tot het vereiste, volle licht van het inzicht komen, voordat hem een functie wordt toebedeeld die past bij zijn licht. Als hij echter zijn wetenschappelijke loopbaan heeft doorlopen en een goed inzicht heeft verkregen, zal hij zich dan soms op een rustbed werpen en daarop behaaglijk gaan slapen, in plaats van te werken in zijn verworven licht? Ja, hij zal nu welbeschouwd pas beginnen te werken, want al zijn vroegere studiewerk was alleen maar het maken van licht in de nacht van zijn wezen.
[9] En daar heb je weer een sterke reden temeer, waarom er na de zonnedeur nog andere deuren zijn, vooral zulke, die naar het hele oneindige universum gaan. Heb jij verder nog een vraag?'
[10] MARTINUS zegt: 'O Heer, U doorziet mijn hart als een waterdruppel. Ik ervaar in mij nu niets anders meer dan de warmste liefde tot U, oneindige, goede, heilige Vader! U weet, dat bij mij het werk, dat overeenkomt met mijn krachten, boven alles welkom is; daarom zal een nog hogere graad van licht ook bij mij zeker goed van pas komen. Want U weet, dat het mij aan de wil om het goede te doen, nog nooit heeft ontbroken, maar meestal wel aan het licht, dat wil zeggen aan de juiste wijsheid daartoe. Daarom denk ik dat de volledige wederopenstelling van deze tempel voor mij juist van groot nut zal zijn. Alhoewel ik wat mij betreft alleen in U de eigenlijke Zon van alle zonnen en het Licht van alle licht zie en het nu ook in alle volheid bezit, zodat ik ook voor eeuwig elk ander licht kan ontberen.'
[11] IK zeg: 'Zo, zo, Mijn lieve broeder Martinus; deze woorden bevallen Mij al veel beter dan je eerdere vragen.
[12] Het is wel waar, dat Ik de Zon van alle zonnen ben, het Licht van alle licht. Wie Mij heeft, die wandelt en handelt op klaarlichte dag. Maar omdat toch elk mens uit Mij nu een eigen en vrij wezen is, heeft hij ook zijn eigen licht. Dit moet even vrij in hem schijnen als de zon vrijelijk schijnt in de grote ruimtehal van haar planeten, even vrij als bij elk mens de ogen stralen en zo vrij als elk mensenhart steeds nieuwe gedachten naar boven stuwt. Daaruit komen dan vrije ideeën naar voren, daaruit de kennis van zichzelf en daaruit de grote erkenning van Mijn Godswezen, van Mijn liefde en wijsheid. Daarom wordt voor deze gasten nu ook deze deur geopend, opdat zij zichzelf kennen en dan pas Mij in alle waarheid. Zullen wij dan nu ook maar deze deur openmaken?'
[13] MARTINUS zegt: 'O Heer, heilige Vader, dat zal allemaal wel echt waar zijn en goed en juist. Maar geef mij alleen de verzekering, dat U zich - als gevolg van de kennis en de volle waarheid die deze gasten omtrent U zullen krijgen - niet weer ergens zult verbergen en wij U dan weer zullen moeten zoeken en roepen zo hard we kunnen, en dat U niet zo snel weer tevoorschijn zult komen. O Heer, lieve Vader, doe ons dat toch niet meer aan!'
[14] IK zeg: 'Mijn geliefde zoon, Ik zeg je: Maak je over alles maar zorgen, alleen daarover nooit! Want waar de kinderen zijn, daar is ook de Vader - en waar de Vader is, daar zijn ook de kinderen! Maar je weet dat Mijn familie groot is en nog groter de kudde van al Mijn schapen. Deze zullen wij dan allemaal in één huis brengen en er zal dan één kudde zijn en één herder! Maar daartoe zal er nog veel gedaan moeten worden.
[15] Onthoud dit: op de aardbol zijn nu vele maaiers aangesteld; er zal een grote zifting plaats vinden! Ik zal genoodzaakt zijn om veel mensen het stoffelijk lichaam te ontnemen tot uitroeiing van alle hoererij. Ik heb op aarde getuigen laten opstaan, en wat Ik nu met jou hier bespreek, heb besproken en nog zal bespreken en doen, zie, dat alles wordt tegelijkertijd op aarde opgeschreven en aan het vlees bekendgemaakt! Maak je daarom geen zorgen, dat Ik jullie na de opening van deze deur op een of andere manier zou verlaten, maar bedenk: nu pas zal Ik eeuwig en onveranderlijk vast bij jullie blijven!
[16] Nu echter nog iets, Mijn geliefde Martinus. Zie, wij zullen deze keer de grote zonnevelden veel intensiever en verder betreden dan de eerste keer. Je zult daar vrouwelijke wezens van nooit vermoede schoonheid met de grootste bekoorlijkheid, liefde en onbeschrijflijke tederheid ontmoeten, evenals ook mannen. Je moet ze echter steeds met echte, hemelse ernst behandelen. Als je spreekt, spreek dan weinig en wijs; daardoor zul je ze het beste voor je winnen. Liefhebben moet je hen zeker niet openlijk, zodat ze het niet merken, dan zul je veilig en zeker onder hen wandelen.
[17] Want op deze grote wereld van het licht staat de wijsheid bovenaan. Hier binnen verbergt de liefde zich, net zoals in het licht van de zon de warmte geheel onzichtbaar aanwezig is en alleen maar tot uitdrukking komt in de talloos veelsoortige, opbouwende uitwerkingen. In de zon moet je daarom alleen maar schijnen, zoals je ook Mij zult zien schijnen. Als je deze regel aldus getrouw nakomt, zul je bij deze eerste grote expeditie veel zaligheid genieten. En ga er nu naar toe en open de deur in Mijn naam. Zo zij het!'
«« 127 / 204 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.