Martinus in de tang - De bemoedigende woorden van Petrus - Het goede antwoord van Martinus

Jakob Lorber - Bisschop Martinus

«« 139 / 204 »»
[1] Na deze woorden is MARTINUS pas echt verlegen en heeft helemaal geen weerwoord meer. In zichzelf mompelt hij heel zacht: 'Zo, zo, nu is het helemaal voor elkaar! Daar zullen we het hebben! Wat moet ik nu zeggen? Ze hebben op alle punten gelijk en ik ben daarentegen op alle punten een ezel en een os, en dat nota bene met de hoed van de wijsheid op mijn hoofd. O dat komt prachtig uit! En die komen met een tweede hoed voor mij aanzetten! Het wordt steeds mooier. - Broeders, lieve broeders, als jullie mij niet uit de puree halen, dan ga ik er in ieder geval van door!'
[2] PETRUS zegt: 'Broeder, heb maar geduld en verdraag deze wijze beproeving, dan zal het wel gauw beter worden. Denk maar weer na, dan zul je wel weer een antwoord vinden. Wees alleen voortdurend serieus en haal er niet te veel bij, maar houd stevig staande wat je beweert. Spreek als leraar, dan zul je met deze voorpost al heel ver komen. Met de achterban zal het er zeker wat vuriger aan toe gaan, maar dan zullen wij je wel helpen, als het heel moeilijk wordt. Wees daarom maar moedig en vrees niet; het zal allemaal goed gaan!'
[3] MARTINUS zegt: 'Broeders, zoals ik het aanvoel, zal er bij mij niet veel bijzonders meer uitkomen, want ik heb al mijn wijsheid al tevoorschijn gehaald. Dat de wijsheid de liefde noodzakelijkerwijs moet volgen, is mij nu maar al te duidelijk. Het werd door deze drie wonderbaarlijke wezens zo keurig geordend voorgesteld, dat men daar niet het minste tegen in kan brengen. Ik kan daarom niets anders doen, dan hun helemaal gelijk geven. Of weet jij iets beters?'
[4] PETRUS zegt: 'Ja, dat is wel goed: wat juist is, is zowel op aarde als in de hemel juist. Desalniettemin moet je je niet al te gemakkelijk al na verloop van enkele wijze woorden gewonnen geven, want ook jouw uitspraken zijn het verdedigen waard. Daarom, zoals ik al zei, denk maar even na en er zal al gauw een heel goed antwoord bij je op komen.'
[5] MARTINUS denkt nu heel grondig na wat hij zal zeggen. Hij vindt na een poosje langer nadenken toch werkelijk een uitspraak die er zeker mag zijn en zegt dan: 'O jullie meer dan lieflijke dochters van de grote zon! Jullie woorden zijn wel heel wijs en logisch. Maar er ontbreekt toch iets aan, wat in jullie ogen misschien niet zo belangrijk is, maar voor mij zeker wel.
[6] Omdat jullie door jullie wijzen weten, wat de grote Geest Gods op mijn kleine aarde heeft onderricht, en ook weten, hoe daar de natuur van alle schepselen is, verwondert één ding mij zeer: dat jullie niet ook weten, wat de Heer Jezus die toch jullie allereerste, grote Geest is, nog bij andere gelegenheden tegen ons, Zijn kinderen, heeft gezegd.
[7] Zie, ooit brachten moeders hun kinderen naar Hem toe. En omdat daardoor een gedrang ontstond, gingen Zijn leerlingen die zich al heel wijs waanden, tegenover de moeders staan en weerhielden hen om dichter bij de Heer te komen. Toen de Heer dat echter al gauw merkte, sprak Hij tegen de leerlingen: 'Laat de kleinen tot Mij komen en verhinder ze niet; want van hen is het koninkrijk der hemelen! Waarlijk, Ik zeg jullie, als jullie niet worden als deze kleinen hier, dan zullen jullie Mijn Rijk niet binnengaan!'.
[8] Daarmee stelt de Heer voor diegenen die al wijs waren als voorwaarde tot het bereiken van het hemelrijk het kindschap, dat nog geen wijsheid bezit. Daarom weet ik dus niet, waarom jullie de wijsheid voor zoiets groots aanzien en ervan overtuigd lijken te zijn, dat men pas na ontvangst van de wijsheidsprijs geschikt zou worden voor het hemelrijk! Ik bedoel, de leer van God zal toch wel boven die van jullie verheven en absoluut waar zijn?
[9] Wel zei de Heer tegen de wijze Nikodemus, dat hij van tevoren wedergeboren zou moeten worden, als hij in het Godsrijk wilde binnengaan. Maar de Heer doelde daarbij niet op jullie wijsheid die de Jood toch al bezat, maar op de kinderlijke onschuld, die zuiver liefde is! En zo begrijp ik ook het woord van de Heer, houd mij alleen aan de liefde en laat alle wijsheid alleen aan de Heer over. Zie, daarom ben ik ook bij Hem, - terwijl ik God weet waar zou zijn, als de Heer op mijn wijsheid af zou willen gaan, die zo goed als eeuwig niets is!
[10] Ik ben er dan ook ten zeerste van overtuigd, dat een ieder zondigt die zich voor God op zijn wijsheid zou willen beroemen. Doch als het eenvoudige hart maar vol is van de liefde tot God, dan heeft hij ook al de levensprijs in zich, die voor hem het kindschap Gods bewerkstelligt. Maar als hij deze prijs al heeft, waartoe moet dan die van jullie dienen? Daarom wordt jullie door mij nu voor de laatste keer gezegd: Ik behoef jullie wijsheidsprijs niet, omdat ik allang heb wat ik nodig heb!
[11] Zien jullie er echter op toe, dat je mijn prijs ten deel zal vallen! Dan zijn jullie allemaal veel gelukkiger te prijzen, dan jullie nu zijn alleen in je wijsheidsglans, waaruit niettegenstaande jullie onnoemelijke schoonheid weinig liefde naar buiten straalt. Zeg nu, of jullie nog wat te zeggen hebt; maar reken niet meer op een antwoord van mij! Want één ding is maar nodig en dat is de liefde; al het andere geeft de Heer, wanneer ik het nodig heb!'
«« 139 / 204 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.