De door zijn vriend beleerde twijfelaar op weg naar erkenning van de Heer

Jakob Lorber - De Huishouding van God (deel 2)

«« 263 / 280 »»
[1] Toen onze woordvoerder deze woorden als een goed antwoord van zijn vriend te horen kreeg, begon hij er diep en vol aandacht over na te denken, hoe onmondige kinderen op de weg van de liefde, hoewel die in zekere zin nog instinctmatig is, het allereerst tot de onfeilbare erkenning van hun ouders komen.
[2] Ja, hij strekte zijn gedachten zelfs tot in het dieren en plantenrijk uit en vond deze stelling voor de eerste keer op een voor hem verrassende wijze bevestigd.
[3] Hij werd uit zijn vele ervaringen gewaar, dat alle dieren die hij kende zich als dierenkinderen aan hun verwekkers vastklemmen en hen niet eerder verlaten dan dat zij volledig met de benodigde dierlijke kracht zijn toegerust; en in het plantenrijk ontdekte hij nu ook - zoals men pleegt te zeggen - dat de appel niet ver van de boom valt.
[4] Na zulke goede gedachten wendde hij zich weer tot zijn vriend en zei tegen hem: 'Luister, mijn allerbeste vriend en broeder, hoe meer ik nu over je woorden nadenk, des te meer licht vind ik daarin! In het begin leken zij mij geheel zonder betekenis te zijn; maar zie, ze wekken bij mij een steeds groter interesse! Daarom komt het mij voor dat zij eigenlijk niet helemaal uit jezelf komen.
[5] Ik wil daarmee in het geheel niet zeggen dat ik jou niet tot een dergelijke wijsheid in staat acht, want ik weet immers van vroeger dat je een zeer verstandig man was en door niets van een eenmaal grondig gevormd idee was af te brengen, zelfs niet door Lamechs gevangenissen.
[6] Maar alleen, weet je, lieve broeder, maak ik hierbij een klein onderscheid, omdat het toch twee verschillende dingen zijn: wijs spreken - en verstandig en volgens het verstand spreken en handelen.
[7] Tegen mij heb je duidelijk wijs gesproken, en vandaar dat ik ook op de gedachte kwam dat zo'n wijsheid niet van jezelf komt. Want zij is te veelomvattend, te algemeen; wij mensen kunnen echter onze beperkte idee├źn niet zo ver uitbreiden, omdat ons daartoe nog altijd het overzicht heeft ontbroken, en in het bijzonder hebben we dat in de kerker ondervonden.
[8] Maar wanneer je nu met zulke zinnen aankomt, waaraan een hele schepping van begin tot einde ten grondslag ligt, dan ben ik van mening je niet te beledigen als ik dat over je uitspraak beweer.
[9] Maar ik zeg je nu ook, dat jouw woorden mij dichter bij het doel hebben gebracht dan je misschien zou denken! Ja, je kunt het van me aannemen, het idee van de goddelijke mens wordt voor mij ook steeds helderder, en mijn gemoed verzet zich daar niet meer zo erg tegen; maar dat die arme man zich zo heeft verkleed, begrijp ik niet zo goed!
[10] Kun je daar misschien ook een woord aan wijden dat voor mij begrijpelijker is dan zijn veel te wijze woorden; dan zou ik ertoe geneigd kunnen zijn om die arme man volledig als datgene te erkennen, als wat ik hem zou moeten erkennen, en nu ook werkelijk graag zou willen! Als je dus wat dat betreft mij nog iets kunt zeggen, doe dat dan tot mijn volledige geruststelling!'
[11] En de andere nam het woord en zei tegen onze woordvoerder: 'Broeder, waarlijk, als jij niet blinder bent dan het middelpunt van de aarde, dan weet ik het niet meer!
[12] Wat noem je dan rijk - en wat arm?
[13] Is rijk zijn voor jou dan als iemand zijn lichaam helemaal bedekt met voortbrengselen van zijn eigen of zijn broeders handen, welke voortbrengselen aan dingen uit de natuur zijn ontlokt, of indien zo iemand uit leem en overbodige stenen een huis voor zichzelf heeft gebouwd?
[14] En noem je iemand arm als hij van dat alles, gedwongen door de hardheid van zijn broeders of vrijwillig, min of meer is verstoken?
[15] O zie, dat is geheel onjuist! God heeft de mens naar Zijn beeld geschapen en zette hem geheel naakt op de aarde; en zo komen nog heden ten dage alle mensenkinderen naakt op deze wereld. Is daarom de naakte mens Gods armzaligste schepsel? Of is hij niet juist buitensporig rijk door het hem gegeven evenbeeld van zijn Schepper?!
[16] En als nu de Schepper in Zijn oorspronkelijke menselijke gestalte bij ons is gekomen in de volheid van Zijn eeuwige liefde en wijsheid?! Kun je dan nog in je hart aanmerkingen maken op hoe Hij van oorsprong in Zijn wezen is?
[17] Daarom zeg Ik je: Erken je grote en grove blindheid, snel naar Hem toe en val aan Zijn voeten neer, opdat er licht komt in de grootste dwaling van je leven!
[18] Zie die eindeloze genade, om God, de almachtige Schepper, de allermildste Broeder en meest liefdevolle Vader, in ons midden te hebben!
[19] Waarlijk, alleen de gedachte daaraan is al te groot en te heilig voor de mens; en zie, hier is meer dan de meest verheven gedachte! Hier is Hij, de almachtige Vader Zelf!
[20] Kun je in je geest nu nog talmen, terwijl de gehele oneindigheid van al te grote eerbied beeft?!
[21] Zie, Hij, de almachtige, eeuwige God, de Schepper van de oneindigheid, wacht op je!
[22] Snel daarom naar Hem toe, voor het te laat wordt, en aanbid Hem met heel je hart!
[23] IJl, ijl naar Hem toe, naar de heilige Vader! Amen.'
«« 263 / 280 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.