De verlossingsvoorwaarde. Het overbruggen van de kloof

Jakob Lorber - De Geestelijke zon (deel 1)

«« 91 / 101 »»
[1] De prior zegt: o lieve, achtenswaardigste vriend en broeder, deze heerlijke gedachte heeft zich ook volkomen van mijn gevoel meester gemaakt. Ik zie maar al te goed in dat de voltooiing in de Heer zeker zal plaatsvinden, maar daarnaast zie ik ook in hoe eindeloos onwaardig wij allen voor zo'n buitengewoon heilige hulp zijn.
[2] De eenvoudige man zegt: lieve vriend en broeder, ik zeg je, dat jullie dit duidelijk inzien, is aan jou en jouw broeders ook het beste, want zolang iemand denkt dat hij uit zichzelf iets zou kunnen doen, of dat hij de goddelijke genade en erbarming waardig is, zolang kan hij er ook op rekenen dat de Heer hem zal laten wachten totdat dat dwaze zelfbedrog in hem is verteerd. Wanneer hij echter tot jouw nu verworven innerlijke inzicht komt dat hij niets is en tot niets in staat is, maar dat de Heer alles in allen is, de Eerste en de Laatste, de Alfa en de Omega, dan geeft hij zich pas helemaal vrijwillig aan de Heer over en dan neemt de Heer hem op en leidt hem langs de juiste weg.
[3] Voor wat jouw geval betreft, denk ik dan nu ook: leg alle liefde voor je broeders en alle zorgen om hen aan de voeten van de Heer neer en omvat deze met vurige liefde in je hart, dan zul jij je er zeker van kunnen overtuigen dat de Heer juist dan actief begint te worden wanneer de mens vanuit zijn deemoedig innerlijk besef alle nietige daadkracht en zwakke wilskracht liefdevol aan de Heer heelt overgedragen. Dat is trouwens ook reeds het geval bij men sen die een wereldlijke leider in hun midden hebben.
[4] Zolang iemand zijn vermogen zelf wil beheren, zal de leidinggevende lik h niet om hem en zijn vermogen bekommeren. Heeft iemand ingezien dat hij niet in staat is om zijn vermogen zelf te beheren, dan zal hij dit met een deemoedig, liefdevol hart vol vertrouwen in handen van de leider geven en heit het beheer daarvan volledig toevertrouwen. De leider zal dat vermogen op zijn bank zetten, zodat voor de verstandige maar ondeskundige eigenaar de belangen op tijd behartigd worden. Dat gebeurt, zoals gezegd, bij de mensen op aarde reeds heel vaak, hoewel de bedoelingen dan toch min of meer onzuiver en liefdeloos zijn.
[5] Wanneer de dwaze mensen op aarde hun materiële vermogen al op die manier goed weten te beleggen om zich daardoor een lijfrente voor een zorgeloos leven te verschaffen, moet dan de veel wijzere geestelijke mens niet nog veel beter inzien, wie de allerbeste beheerder en verzorger van alle levensbehoeften van de geestelijke mens is, wanneer deze vooraf aan Hem zijn gehele levenskapitaal overhandigd heeft.
[6] Bovendien geeft de Heer in het evangelie toch ook duidelijk aan, tot Wie zij die belast en beladen zijn, moeten komen om de juiste verkwikking te vinden en aan Wie zij al hun zorgen kunnen toevertrouwen. Als je daar goed over nadenkt, zul je ook gemakkelijk en vlug inzien dat jouw zorg voor deze broeders, met al jouw liefde en redelijkheid, een beetje ijdel is.'
[7] Je zou het graag door de volledige bevrijding van de broeders zover willen brengen, dat je tegen de Heer zou kunnen zeggen dat je ook een totaal nutteloze knecht bent geweest. Kijk, hoe mooi dit op zich ook klinkt, toch zit er wat jouw verdienstelijkheid voor de Heer betreft, nog wat ijdelheid bij. Je wilt namelijk door zelfstandig te handelen de Heer weliswaar een goede dienst bewijzen, maar dan daarna toch doen alsof je niets gedaan hebt, om op die manier door de Heer geprezen te worden. Maar ik zeg je dat er in dit rijk nog heel veel zijn die zeggen, ik ben voor God de laatste en allerminste. Maar zij die zoiets van zichzelf zeggen, willen juist daardoor bij de Heer in de gunst komen om zo volgens de uitspraak van de Heer in het evangelie toch vooral de eersten en grootsten in het rijk Gods te worden.
[8] Op een andere plaats zegt de Heer echter ook: als gij niet wordt als deze kinderen, zult gij het rijk Gods niet binnengaan. Hoe en waarom dan? Omdat de kinderen werkelijk de geringsten en kleinsten zijn, doordat ze al hun zorgen aan hun enige vader overgeven. Heb jij ooit een kind gezien dat zorgelijk tegen zijn rijke ouders zei: wat zullen we eten en drinken en waarin zullen we ons kleden? Kijk, dergelijke zorgen zijn de kinderen vreemd. Als zij honger of dorst hebben, lopen ze naar hun vader en vragen hem brood en iets te drinken en hun vader geeft het hun. Ze vragen hem zelfs nooit om kleren. Wanneer ze het koud hebben, merkt hun vader dat best en geeft hun niet alleen warme, maar ook mooie en nette kleren, omdat ze zijn lieve kinderen zijn.
[9] Dus, mijn lieve vriend en broeder, geef jij je ook helemaal over aan de Heer en wees ervan verzekerd dat Hij je niet minder zal voorzien van alles wat je nodig hebt en dat Hij dat zeker veel eerder en onuitsprekelijk beter zal doen dan de rijkste aardse vader dat kan bij de verzorging van zijn kinderen.
[10] De prior zegt: luister, lieve vriend en broeder, hoewel je er zo eenvoudig en gewoon uitziet, moet ik je toch bekennen dat jouw woorden nog onvergelijkelijk verhevener en werkelijk waarachtiger klinken dan die van de eerder door mij genoemde hemelse boodschapper van de Heer. Ja, je hebt me niet slechts de levendigste waarheid aller waarheden getoond, maar ik moet je openlijk bekennen dat jouw woorden mij met zo'n levendige troost hebben vervuld, dat ik mij van louter deemoedigste dankbaarheid en liefde voor onze onuitsprekelijk liefdevolle hemelse Vader totaal verpletterd voel.
[11] De woorden van de verheven bode van de Heer waren voor mijn gevoel als een ruwe vijl, waarmee hij - eeuwig dank aan de goddelijke barmhartigheid - de vele en allergrofste dwalingen van mij heeft afgevijld. Ook waren ze niet zelden als een scherp zwaard dat iemand uiterst pijnlijk verwondt, alhoewel daardoor het kwaadverwekkende bloed kan wegvloeien.
[12] Jouw woorden daarentegen, o vriend en broeder, zijn als een allerheilzaamste, lieflijkste balsem. O, ik kan nauwelijks beschrijven hoe onuitsprekelijk prettig ik me bij ieder woord van jou ben gaan voelen! Ik ben nu ook zover gekomen dat ik oprecht en eerlijk vanuit mijn diepste gevoel kan zeggen:
[13] O Heer, almachtige, heilige, goede Vader, nu geschiede voor mij en voor al mijn arme broeders alleen Uw heilige wil! Al mijn zorgen en al mijn willen leg ik aan Uw heilige voeten neer. Wat U met mij zult doen en wat U mij wilt geven, daarin geschiede ook alleen Uw heilige wil! O jij lieve, hemelse broeder, jij moet zeker een nog grotere vriend van de Heer zijn dan de vroegere verheven bode. Je moet me maar vergeven, want jouw woorden hebben mij ook voor jou met zo'n liefde vervuld, dat ik er niet omheen kan jou te omarmen om je zo met mijn warmste broederliefde mijn dankbaarheid voor je hemelse leer te betuigen. Waarlijk, zoals ik eeuwig nooit zal ophouden onze liefdevolle heilige Vader lief te hebben, zal ik ook nooit ophouden in mijn hart aan jou te denkeg!
[14] De eenvoudige man zegt: ja, mijn lieve broeder en vriend, kom bij me en heb mij lief, want het is toch de wil van de Heer dat alle broeders in de Heer elkaar liefhebben! Kijk hoe onze prior nu op de nog onbekende man afstormt, hem omarmt en uit alle kracht aan zijn hart drukt terwijl de eenvoudige man dit gebaar van de prior nog levendiger beantwoordt. Wat denken jullie, is dat een gunstig of een ongunstig teken voor de prior? Ik zeg jullie, zo'n teken is van oudsher gunstig, want het ligt al eeuwig heel kenmerkend in het karakter van de Heer, dat Hij met ons en al Zijn hemelse boden de grootste vreugde aan een teruggekeerde verloren zoon heeft.
[15] Zoals jullie zien hebben onze geliefden elkaar ook weer losgelaten en de eenvoudige man zegt nu tegen de prior: mijn lieve vriend en broeder, kijk eens, het lijkt mij dat tijdens ons gesprek en onze broederlijke en liefdevolle omarming de hele kloof is verdwenen. Ik denk dat het nu niet meer moeilijk zal zijn om de arme broeders op te halen. Daarom gaan we naar hen toe om het hun te zeggen.
[16] Nu gaan beide naar de naakte zielenslapers. Deze komen overeind en kijken met verbazing en ogen vol dankbaarheid en blijdschap naar de plaats, waar zich eerst de huiveringwekkende kloof bevond. De eenvoudige man zegt tegen hen: kijk, de kloof is er niet meer, volg ons dus gerust. Maar de naakten zeggen: o lieve vriend en verheven broeder, wij zijn naakt en durven ons zo nauwelijks naar het lichtere gedeelte van onze vroegere refter te begeven. De eenvoudige man zegt tegen hen: `Maak je geen zorgen over de kleding, want Hij die zich over jullie heeft ontfermd en deze kloof heeft laten verdwijnen, heeft ook reeds voor de juiste kleding gezorgd. Kijk, daar in het midden van dit vertrek bij de tafel zullen jullie vinden wat je nodig hebt. Kom daarom en volg ons!'
[17] Zij komen nu en de prior, gegrepen door zijn grote liefde voor zijn lieve broeders, zegt tegen hem: nee lieve hemelse vriend en broeder, voor deze liefdedienst kan ik jou niet, net als wij, laten lopen; daarom vraag ik je, laat je door mij dragen!
[18] De eenvoudige man zegt: lieve broeder, laat dat maar achterwege, want als het erop aan zou komen, zou ik jou met al jouw medebroeders eerder kunnen dragen zo ver je maar wilt, dan dat jij mij ook maar naar die tafel kunt dragen. Maar dat je mij in jouw hart draagt, o broeder, dat is mij heel wat liever dan dat je mij zou willen dragen en misschien ook op handen gedragen hebt. Je vraagt me nu, wat ik met dat `misschien' bedoel. Ik zeg je echter: bekommer je daar nu niet meer om; te zijner tijd zal je alles wel duidelijk worden. Laten we daarom naar de tafel gaan zodat onze naakte broeders daar hun juiste kledij kunnen nemen.
[19] De prior zegt: ja, ja, geliefde broeder, zoals jij het wilt, is het voor mij ook volkomen in orde. Dat `misschien' speelt me nog wel een beetje door mijn gedachten, maar ook dat willen we aan de allerheiligste voeten van de Heer leggen en zodoende geschiede Zijn en jouw wil.
[20] Kijk, nu gaan allen naar de tafel en zoals jullie zien, zijn alle arme broeders ook reeds zonder de hulp van een kamerdienaar gekleed. Hun gewaad ziet er weliswaar nog niet echt hemels uit, maar het is een gewaad van gerechtigheid en het komt overeen met hun liefde voor de Heer. - Wat er verder gebeurt zal het vervolg ons leren.
«« 91 / 101 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.