Jozef weigert een Griek zijn diensten aan te bieden

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 7)

«« 205 / 229 »»
[1] Na ongeveer een uur kwamen door de wijn de tongen los en werd het al gauw zeer levendig in de zaal.
[2] Ikzelf vertelde de gasten het een en ander uit Mijn jeugd, waar alle aanwezigen in hoge mate van genoten. De aanwezige bekeerde Farizeeën en schriftgeleerden bevestigden het allemaal; een van hen vertelde zelfs in het kort van de gebeurtenis, dat Ik op twaalfjarige leeftijd alle hogepriesters, Oudsten, schriftgeleerden en Farizeeën in de tempel met Mijn wijsheid tot opperste verbazing had gebracht en hij voegde er nog de opmerking aan toe, dat men reeds in die tijd gedurende enkele jaren zelfs in de tempel stellig de mening was toegedaan, dat Ik mogelijkerwijs toch de beloofde Messias was. Maar daarna had men van Mij niets meer gehoord en meende dat Ik als een geestelijk te vroeg gewekte knaap ofwel gestorven was, of dat de Essenen Mij hadden leren kennen en in hun scholen hadden opgenomen, natuurlijk met toestemming van Mijn aardse ouders. En zo was deze aangelegenheid bij de tempel toen langzaamaan ingeslapen en pas nu, de laatste tijd, weer wakker geroepen.
[3] Toen de Farizeeën dit verhaal beëindigd hadden, vertelden ook Johannes, Jacobus en ook de andere leerlingen het een en ander uit Mijn jeugd', en Jacobus gaf zelfs het verhaal ten beste over de wonderbaarlijke wijze waarop Maria zwanger was geworden, over Mijn geboorte en vlucht naar Egypte en Mijn driejarig verblijf aldaar, en ook veel van wat zich daar allemaal had afgespeeld, waarover allen hoogst verbaasd waren. Velen benijdden nu Jacobus om het geluk dat hij al die tijd bij Mij had kunnen zijn.
[4] Hierop zei Lazarus dan ook: 'Heer en Meester, het verheugt mij nu weliswaar onbeschrijflijk, dat ik mij met heel mijn hart een vriend van U mag noemen; maar ik zou nog gelukkiger zijn als ik Jacobus was, die U gewoonweg uit de geopende hemelen naar de aarde heeft zien komen en steeds aan Uw zijde was. Als ik toch ook Jacobus was geweest!'
[5] Ik zei: 'Jacobus is inderdaad een geheel en al gelukkig mens en is ook door de engelen van de hemel zelf vaak benijd, maar wel in hoogst edele zin; maar hij heeft daarom niet iets voor op een ander mens. Zijn waarde ligt ook enkel en alleen in het feit dat hij Mijn woord hoort, gelooft en uit liefde tot Mij daarnaar handelt; en wie dat doet, heeft geheel hetzelfde voorrecht als Mijn dierbare broeder Jacobus.
[6] Maar luister nu naar een zeldzame gebeurtenis uit de tijd na Mijn twaalfde jaar, waarin men van Mij niets bijzonders heeft vernomen!
[7] Ik heb Mijn pleegvader Jozef als timmerman steeds vlijtig en onverdroten bij het werk geholpen, en waar Ik meewerkte vlotte het werk ook altijd goed en zelfs uitstekend.
[8] Op een keer echter kwam er een Griek, die een heiden was, bij Jozef om een voordelige overeenkomst met hem te treffen in verband met het bouwen van een heel nieuw huis en een grote varkensstal.
[9] Maar Jozef was een zuivere en strenge jood en zei tegen de rijke Griek: 'Zie, wij hebben een wet die ons verbiedt om met heidenen om te gaan en hun op wat voor manier dan ook diensten te bewijzen! Als je een jood was zou ik gemakkelijk zaken met je kunnen doen; maar omdat je een duistere heiden bent, kan ik om alle schatten van de wereld niet tegemoet komen aan je verzoek. En een varkensstal kan ik al helemaal nooit en te nimmer aannemen, zelfs als je een jood zou zijn!'
[10] Toen zei de heiden heel opgewonden tegen Jozef: 'Nou., je bent toch wel een eigenaardige man! Ik ben weliswaar een Griek, maar Ikzelf en mijn hele familie hebben onze vele goden allang over boord geworpen, de zee in, en geloven nu aan dezelfde God als jij en hebben van Hem ook al menig onmiskenbare genade ontvangen. Maar dat wij de besnijdenis niet aannemen, komt omdat wij ons niet willen onderwerpen aan jullie onverzadigbare tempel, maar alleen aan God de Heer, die nu nergens erger ontheiligd en onteerd wordt dan in jullie tempel, waarvan wij heidenen de snode inrichting beter kennen dan jullie joden, die door jullie tempel. al helemaal zijn afgestompt. En als jullie enig ware God ook over ons heidenen Zijn zon laat schijnen, waarom verachten jullie ons dan?'
[11] Toen zei Jozef 'je vergist je als je denkt dat wij joden jullie verachten; maar wij hebben een gebod van Mozes dat ons de omgang met heidenen verbiedt en ook verbiedt om handel met hen te drijven. Als een zuivere jood dat doet, verliest hij voor lange tijd zijn zuiverheid en zie, ik ben nog een jood die heel die wet van kind af aan streng in acht heeft genomen en er nu op zijn oude dag niet meer aan begint om daartegen te zondigen!'
[12] De Griek zei: 'Goed, mijn vriend, ik zal je er ook met toe verleiden; want ik ben ook al zo oud als jij en ik ken je al langer dan jij je kunt voorstellen. Maar als jij deze wet met betrekking tot ons heidenen vandaag de dag zo streng in acht neemt, -hoe komt het dan dat je het niet zo nauw nam, toen je vanwege de vervolging van de kant van je geloofsgenoten met je jonge vrouwen je kinderen naar ons heidenen in Egypte kwam gevlucht?
[13] Kijk vriend, jullie wetten zijn allemaal goed en waar; maar ze moeten ook in de geest van de innerlijke waarheid worden opgevat en dan pas in het leven toegepast worden! Wie zich alleen aan de letter van de wet bindt, bevindt zich nog ver van de weg der waarheid. Toen je in Egypte was werkte je wel voor ons heidenen, terwijl je desondanks een heel zuivere jood bleef. Waarom zou je nu dan onzuiver worden?
[14] In die tijd had je een hoogst wonderbaarlijk zoontje, dat wij heidenen vanwege zijn wonderbaarlijke eigenschappen bijna als een God vereerden. Wat is er van dat kind geworden? Als het intussen niet gestorven is, moet het nu al een volwassen jongeling zijn!'
[15] Omdat Jozef de Griek nu wel herkend had, zei hij enigszins verlegen: 'Ja, luister mijn vriend! je hebt me in Ostracine inderdaad grote vriendschap bewezen en het zou nu onredelijk van me zijn als ik niet aan je verlangen tegemoet zou komen; maar omdat ik een strenge jood ben, zal ik hier toch eerst met de Oudste van deze stad over spreken en dan handelen overeenkomstig zijn advies.'
[16] Toen zei de Griek: 'Maar voorzover ik weet heb je in Ostracine steeds met je zoontje overlegd als je van plan was om iets te ondernemen! Als die zoon nog leeft, zal hij vast nog wijzer zijn dan hij toen was! Vraagje hem nu niet meer om advies, als hij zoals gezegd nog leeft?'
«« 205 / 229 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.