De genezing van de zieke Helena

Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie (deel 9)

«« 3 / 214 »»
[1] Daarop zei de waard verder tegen zijn personeel, dat nu aanwezig was: 'Wij hebben ons er nu van overtuigd dat deze ons nog volkomen onbekende dienaar van de ene ware God een echt wonder heeft gedaan om ons de ene ware God te leren kennen; maar hij heeft mij ook al andere bewijzen gegeven, die niet minder wonderbaarlijk zijn en waaruit ik heb opgemaakt dat hij wel een buitengewoon wonderlijk mens moet zijn, want nauwkeuriger dan wijzelf is hij op de hoogte van de meest verborgen en geheim gehouden inrichtingen en omstandigheden van ons huis.
[2] Zo weet hij ook van de tot op heden ongeneeslijke ziekte van onze liefste dochter Helena, en hij heeft mij dan ook beloofd dat hij haar zou genezen, als ik de dode afgoden, groot en klein, allemaal uit huis zou verwijderen en mij dan met mijn hele huis aan de ene, ware God houd en Hem alleen de eer geef. Ik durfde mij echter toch niet zelf te vergrijpen aan de dode afgoden, uit vrees dat ik eerst door iemand verraden en daarna door de priesters en rechtbanken gestraft zou worden, maar ik zei tegen deze wonderbaarlijke dienaar van de ene ware God: 'Doet u ze onder getuigen weg uit het huis, dan zijn wij er niet verantwoordelijk voor!' En kijk, dat deed hij in één ogenblik, en zodoende zijn al onze talrijke afgoden ook op een uiterst wonderbaarlijke manier in huis helemaal vernietigd; Vlij zijn daar nu allemaal getuige van en kunnen daar niet door de priesters en nog minder door een Romeinse rechtbank voor ter verantwoording geroepen worden, wat jullie allemaal even goed zullen begrijpen als ikzelf.
[3] Maar nu deze man vandaag plotseling zulke onverwachte dingen voor onze ogen heeft laten gebeuren, laat nu dan ook onze dochter nog genezen worden en aan ons allemaal de ene, enig ware God bekend gemaakt en getoond worden, zodat wij allemaal alleen aan Hem de eer kunnen geven en volgens Zijn wil kunnen handelen en leven!'
[4] Daar waren alle aanwezigen het helemaal mee eens, en de waard wendde zich nu samen met zijn vrouwen zijn kinderen tot Mij en vroeg Mij om, als het mogelijk was, hun zieke dochter te genezen.
[5] En Ik zei: 'Omdat jij en je hele huis gelooft, geschiede jullie ook naar je gelooft Ga nu naar de kamer van jullie dochter en overtuig je ervan of ze al genezen is! Maar breng haar daarna hier, opdat ook zij van deze wijn des levens proeft en Hem leert kennen, die haar genezen heeft!'
[6] Toen Ik dat gezegd had verlieten allen in allerijl de eetkamer, om te zien of Helena wel genezen was. Toen ze bij haar kwamen troffen ze haar volkomen gezond aan, en zij vertelde dat er een vuur door haar heen gestroomd was en dat de koorts en alle pijn en heel haar vroegere zwakte haar plotseling verlaten hadden. Dat bracht een groot gejuich teweeg. De dochter verliet dan ook direct haar ziekbed, kleedde zich aan en werd onder gejuich snel bij Mij gebracht.
[7] Toen haar verteld werd dat Ik degene was die haar genezen had, knielde zij aan Mijn voeten, die door haar tranen van dankbaarheid bevochtigd werden. Ook alle anderen bedankten Mij voor de wonderbaarlijke genezing van Helena.
[8] Maar Ik zei tegen haar: 'Sta op, dochter, en drink wat wijn uit de karaf die naast je staat, zodat je gesterkt zult worden in je hele lichaam en in je ziel!'
[9] Toen stond Helena zonder moeite op, pakte bescheiden de karaf en dronk daar de wijn uit, die haar sterkte en waarvan zij de goede smaak niet genoeg kon prijzen en roemen.
[10] Toen zij gesterkt was, begonnen allen Mij weer te vragen om hun nu ook de ene ware God te leren kennen en Hem hun ook te tonen, als dat mogelijk was.
[11] Ik zei: 'Luister dan naar wat Ik jullie nu in het kort zal zeggen!
[12] Er is bijna geen Griek die in het Joodse land leeft en handelt, die niet vertrouwd is met de leer van Mozes en de andere profeten. De God nu, die door Mozes aan de Joden verkondigd werd, de God, die op de berg Sinaï onder donder en bliksem met Mozes en door hem en zijn broer Aäron sprak en later ook steeds door de mond van de profeten en vele andere wijze mannen, wiens meer dan heilige naam Jehova is, is de ene, enig ware, eeuwig levende, meest wijze, meer dan goede en oppermachtige God, die de hemel met de zon, de maan en alle sterren en deze aarde met alles wat daarin, daarop en daarboven is, uit Zichzelf heeft geschapen.
[13] Geloof in deze God, houd Zijn geboden, die jullie kennen, en heb Hem boven alles lief door Zijn geboden te houden, maar heb ook jullie medemensen lief zoals een ieder van jullie zichzelf liefheeft, dat wil zeggen: doe voor hen alles waarvan jullie redelijkerwijs willen dat zij dat ook voor jullie doen; dan zal de ene, enig ware God jullie altijd genadig zijn en jullie beden graag verhoren!
[14] Dan zal Hij Zich voor jullie niet als een verre en hardhorende God doen kennen, maar als een steeds nabije en een jullie boven alles liefhebbende Vader, die jullie beden nooit onverhoord zal laten.
[15] Dat is alles wat de ene, enig ware God, die ook de enig ware Vader van alle mensen is, verlangt. Wie dat zal doen, zal niet alleen reeds op deze aarde meer en meer gezegend zijn, maar na het afvallen van het lichaam ook het eeuwige leven van zijn ziel ontvangen en zal daar, waar de Vader is, eeuwig meer dan zalig zijn. Weten jullie nu wie de enig ware God is?'
[16] Allen zeiden: 'Ja, als Hij dat is - en daar twijfelen we nu niet meer aan dan kennen wij Hem uit de geschriften, die ons goed bekend zijn! De leer van Mozes is ons altijd goed bevallen; maar omdat wij maar al te vaak vast moesten stellen dat die leer met name door de voornaamste priesters in geheel tegengestelde zin werd nageleefd, en dat de enig ware God hun geen enkel kwaad doet als straf voor de misdaden die zij aan hun medemensen begaan, dachten wij: wat voor waars kan een leer dan wel bevatten, als - wat uit al hun daden maar al te duidelijk blijkt -de voornaamste vertegenwoordigers ervan en de zogenaamde godsdienaren daar geen spoortje geloof aan hechten?!
[17] Want dat men zijn medemens moet liefhebben als zichzelf, is immers het eerste watje uit de geboden van Mozes opmaakt. Maar je moet ook eens zien hoe de belangrijkste vertegenwoordigers van de leer van Mozes hun medemensen liefhebben;je zou wel met de diepste blindheid geslagen moeten zijn om niet op te merken dat juist deze vertegenwoordigers van de leer er niet in het minst in geloven. Want de waarheid van een echt geloof moet immers blijken uit het handelen volgens de leer, en in het bijzonder bij hen die de leer vertegenwoordigen en verbreiden. Maar wanneer zij door hun handelen nu al voor het oog van iedereen zonder enige schroom of vrees voor een enig ware God laten zien dat zij niets geloven -hoe kunnen wij vreemdelingen ons dan bij hun leer aansluiten?
[18] Kijk, machtige, ware dienaar en priester van de ene, enig ware God, dat was dan ook steeds de reden waarom wij aan de waarheid en echtheid van de leer van Mozes evenzeer twijfelden als aan onze veelgoderij! Omwille van de mensen en hun wetten hebben wij tenslotte wel aan alles meegedaan, maar zelf geloofden wij in geen enkele God meer -maar wel geloofden wij in de alles beheersende krachten van de natuur, die wij door onze geleerden iets nader hebben leren kennen.
[19] Maar nu zijn als gevolg van uw daden en woorden de zaken bij ons alle maal enorm veranderd, en wij geloven nu zonder twijfel in de ene, enig ware God van de Joden, die aan u zo'n ongehoorde puur goddelijke macht verleend heeft, omdat u natuurlijk altijd Zijn wil hebt gedaan.
[20] Wij zullen ons echter enkel en alleen aan de leer van Mozes houden en nooit aan de vertegenwoordigers ervan in Jeruzalem. Gisteravond laat zijn er vanuit Essea nog een paar van zulke tempelheren bij ons gekomen, die geweldig tekeer gingen over hun eigen tempelbedrijf en de grote macht en wijsheid van de Essenen erg prezen, en wij dachten bij onszelf' Als jullie jezelf al zo afkammen, wat moeten wij vreemden dan wel van jullie denken?' Maar toch bevielen ze ons, omdat ze de waarheid bekenden. Vanmorgen vroeg zijn ze weer verder gereisd. Wat de leer betreft is het ons nu wel duidelijk; maar er is nog één punt, en dat is uw laatste belofte.
[21] U beloofde ons ook de enig ware God te tonen, en dat zult u net als al het andere zeker kunnen. Nu u ons ongevraagd al zo gelukkig hebt gemaakt door ons in woord en daad de ene, enig ware God te leren kennen, vragen wij u om ons geluk nu ook nog compleet te maken door ons de enig ware, ene God te tonen! Wij vragen u daar allemaal heel nadrukkelijk om!'
«« 3 / 214 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.