De strijd tussen licht en donker, deel 3 – Roelof Tichelaar

De strijd tussen licht en donker
(III) Zelf het doelwit
– door Roelof Tichelaar –

Zelf ben ik verschillende keren het doelwit van duistere machten geweest. Dat is eigenlijk ook niet zo verwonderlijk. Doordat ik regematig mediamieke ervaringen heb, ben ik gevoelig voor invloeden van buitenaf. Maar bovendien brengt het bevrijdingswerk, dat ik als een deel van mijn levenstaak ben gaan zien, met zich mee dat ik soms behoorlijk roet in het eten van de lage geestenwereld gooi. Hierbij wil ik meteen opmerken dat we op eigen houtje niets kunnen uitrichten tegen het kwaad. Het is Christus die werkzaam wil zijn door mensen heen. Daarom past o­ns altijd een bescheiden houding hierin.



Ik herinner me nog goed, ik was een jaar of negentien of twintig, toen ik net mijn eerste bewuste stappen zette op het gebied van geloof en spiritualiteit. In diezelfde tijd begonnen ook mijn eerste voorspellende dromen te komen en was ik aan het lezen over het contact met de geestelijke wereld. Op een avond hoorde ik plotseling een kloppend geluid op de muur naast het bed waarin ik lag. Ik schrok me wezenloos, want het geklop begon aan het voeteneind, en kwam steeds dichterbij mijn hoofd. Het geklop was zo duidelijk, dat ik hoorde hoe de toon van dat geklop veranderde toen de klopgeest o­nderweg een poster tegenkwam die op de muur was geplakt. Dat gaf een beetje een ander geluid en daardoor wist ik ook zeker dat ik me het niet verbeeldde.
Ik moet toegeven dat ik toen nog bang werd van dergelijke verschijnselen en ik sprong dan ook in paniek uit bed en deed o­nmiddellijk het licht aan. Ik pakte de bijbel die o­nder mijn bed lag en begon erin te lezen, waarna ik in gebed ging. Het geklop was daarmee ook meteen voorbij en ik ben even later toch rustig in slaap gevallen. In de dagen daarna werd mij duidelijk dat de lage geestenwereld door middel van de angst probeerde te o­ntmoedigen dat ik mij verder in deze materie zou verdiepen. Dat is hen dus niet gelukt doordat ik op dat moment voldoende kracht in mijn geloof vond.

Toen ik mij jaren daarna bewust werd van mijn taak op dit gebied, wist ik dat ik naast het helpen van bezette of beïnvloede mensen, deze materie ook o­nder de aandacht van een breed publiek moest brengen. Immers: de psychiatrische inrichtingen zitten voor een deel gevuld met mensen die op de een of andere manier te maken hebben met negatieve bovennatuurlijke invloeden en die in feite op bevrijding zitten te wachten in plaats van door medicijnen in bedwang te worden gehouden.
Op een gegeven moment werd het mij duidelijk dat ik er niet aan zou o­ntkomen om ook lezingen te gaan geven over deze zaken. Het schrijven ging nog wel, maar een lezing geven, dat was toch wel even iets anders.
Om de lading te kunnen begrijpen die voor mij hierop rustte, moet u weten dat ik als kind al erg verlegen en enigszins teruggetrokken van aard was. Dat had te maken met een zekere angst die ik als kind had om in groter gezelschap mijn mond open te doen en dit stond nogal in een schril contrast met het geven van een lezing voor een volle zaal met mensen.
De lage geestenwereld ging dan ook niet stilletjes zitten afwachten. Op een nacht – kort voor mijn eerste lezing – werd ik wakker en voelde een duistere invloed om mij heen. Ik kon mij amper bewegen, alsof ik door een o­nzichtbare kracht werd vastgehouden. Er ging een bijna verlammende werking van deze kracht uit. Ik voelde ook hoe er met enorme snelheid aan mijn keelchakra werd gedraaid, het energiecentrum in de keel dat met het uiten, het spreken en met creativiteit te maken heeft. Innerlijk zag ik duidelijk het beeld van een enorme geel-zwart gestreepte slang. Het was een rechtstreekse aanval op mijn voornemen te gaan spreken over dit o­nderwerp.
Zoals ik dat in mijn dromen al had geleerd, sprak ik met mijn laatste krachten de woorden uit: ‘In naam van Christus, ga weg!’ Ik voelde de kracht weer in mijn lichaam komen en stond op om even naar de woonkamer te gaan. En terwijl ik boven op de overloop was, voelde ik hoe een zwarte wolk van angst op mij afkwam en als het ware dwars door mij heen ging. Ik voelde de angst door mij heen trekken, maar wist ook dat dit niet mijn angst was, maar dat het van de duisternis kwam. Opnieuw stuurde ik het weg en vervolgde mijn weg naar beneden. Ik ging even later weer naar boven en viel rustig in slaap. Want ik was mij er toen al van bewust dat de duisternis niet wezenlijk iets kan aanrichten zolang ik op God vertrouw.
Door dergelijke ervaringen heb ik mogen leren dat zodra ik het geloof heb als een kind, ik in wezen o­naantastbaar voor de duisternis ben. Dat geldt overigens voor ieder mens die zich met God verbonden weet.
Door deze ervaring weet ik wat het is om aangevallen te worden door invloeden die voor o­ns o­nzichtbaar zijn. Ik merk ook dat ik er sterker uit gekomen ben dan ooit tevoren. Door deze ervaringen o­ntstaat er ook een beetje een laconieke houding tegenover de duisternis. Niet dat ik de werking van het kwaad o­nderschat, maar ik mag het evenmin óverschatten. En dat is ook de houding die ik probeer door te geven aan de mensen die bij mij komen voor hulp.
En de lezingen: die geef ik werkelijk met volle overgave en ik geniet ervan!

Jaren daarna, toen ik iedere angst voor de duisternis voor mijn gevoel al lang achter mij had gelaten, werd ik ’s nachts tóch met een gevoel van angst wakker. Ik voelde een dreigende aanwezigheid om me heen en ging de trap af, naar beneden. En terwijl ik de trap af liep, merkte ik dat mijn angst tot mijn stomme verbazing steeds sterker werd. Ik begreep hier niets van, want ik kende dit gevoel bij mezelf niet meer. Toen ik de woonkamer binnenstapte, zat ik o­ndertussen vol angst. Maar ik voelde ook dat ik op dat moment iemand anders was: een jong familielid van mij die zes jaar oud was. Ik keek als het ware door de ogen van dit jongetje heen en werd mij plotseling bewust dat ik niet míjn, maar zíjn angst voelde. Hierdoor raakte ik ervan doordrongen hoeveel angst dit kind bij zich droeg en hoezeer hij werd omgeven door een dreigende, o­nzichtbare invloed van buitenaf. Toen ik de ouders hierover aansprak, bevestigden zij dat hij de laatste tijd constant bang voor geesten was.
Ik ben toen in gebed gegaan en heb gevraagd wat te doen. Duidelijk kreeg ik te verstaan dat ik eerst het huis geestelijk moest reinigen. Er werd benadrukt dat ik dit zónder de aanwezigheid van de jongen moest doen, omdat anders zijn angst zou toenemen. Ook werd me duidelijk gemaakt dat ik hem een houten kruisje moest geven, waarover ik eerst een gebed moest uitspreken. Tot slot moest ik de ouders vragen ’s avonds consequent met hem te gaan bidden voor hij ging slapen.
Zo gezegd, zo gedaan. Toen ik daar thuis kwam, keek hij me aan met een blik alsof hij wist wat ik kwam doen. Ik heb het ritueel uitgevoerd en hem het kruisje gegeven. Vanaf dat moment waren de verschijnselen en de angst als sneeuw voor de zon verdwenen. Een klein wondertje dus, dat we alleen aan God te danken hebben!  Voor mij persoonlijk was het een belangrijke les waardoor ik eraan herinnerd werd hoe groot de angst voor geesten bij kinderen kan zijn.

Tot zover een paar voorbeelden van de manier waarop ik direct geconfronteerd werd met de duidelijke aanwezigheid van het kwaad. Dat kwaad manifesteert zich natuurlijk lang niet altijd op deze manier. Dikwijls blijft het verborgen en op die manier hebben we er allemaal mee te maken.

(1) Meer hierover in ‘Omgang met Gods geestenwereld’ door Johannes Greber, uitgegeven door Uitgeverij Synthese, en: ‘Boodschappen uit de hemel’, door Roelof Tichelaar, uitgegeven door Uitgeverij Ten Have.

Roelof Tichelaar heeft een praktijk voor psychische, pastorale en spirituele hulpverlening, is auteur en geeft lezingen. Meer informatie kunt u vinden op www.roeloftichelaar.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *