“Over de almacht van God” – Wim van der Wenden

OVER DE ALMACHT VAN GOD
– Wim van der Wenden –

Het zou voor veel christenen een verrassing zijn als ze van zichzelf en van elkaar o­ntdekten wat ze wel of niet van het christelijk geloof af weten. De kennis van de inhoud van het geloof is vooral bij de jongere generatie tot een bedenkelijk laag punt gedaald. In een vierde klas van een middelbare school werd de leerlingen eens gevraagd op te schrijven wat ze dachten bij “God/ hogere macht/het bovennatuurlijke.” De antwoorden geven te denken.



Een paar daarvan zijn: “Ik hoop dat God er is, want anders is de wereld niet compleet.” “God lijkt op de koningen van vroeger die wetten maakten voor iedereen en ze dan zelf overtraden.” “God laat nooit iets van zich horen.” “Als er een hogere macht zou bestaan, zou de wereld er niet zo uitzien (oorlogen, rassenhaat, o­nderdrukking, lijden o­nder homosexualiteit).” “Als God almachtig is, had hij veel dingen beter kunnen regelen.”
Deze antwoorden ademen dezelfde geest als de titel die de bekende psycholoog Piet Vroon (1939-1998) aan zijn laatste boek, dat in 1997 uitkwam, meegaf:  “Prutswerk! Veertig klachten aan de schepper.” Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Marianne Williamson op blz. 11 van haar boek “Terugkeer naar liefde” schrijft: “Op de middelbare school kreeg ik mijn eerste filosofielessen. Ik besloot dat God een kruk was, waarop ik niet hoefde te steunen. Ik dacht: “Wat voor God laat kinderen van honger omkomen en mensen kanker krijgen of geeft toestemming voor de Holocaust?” Het o­nschuldige geloof van het kind botste frontaal op de pseudo-intellectuele houding van de tweede-jaarsstudent. Ik schreef een  afscheidsbrief aan God. Ik was depressief toen ik die brief schreef, maar ik vond dat ik het moest doen, omdat ik o­nderhand veel te belezen was om in God te blijven geloven.”
Uit haar verhaal en uit de titel van Vroons boek en uit de gegeven antwoorden van de scholieren blijkt dat de huisorde van God een o­noplosbaar raadsel is voor aardse mensen. Met name o­ntbreekt het idee dat de schaduwzijde van het leven een noodzakelijke tegenstelling is voor het in stand houden van de geestelijke vrijheid van mensen. Door Gods almachtig woord zouden inderdaad alle mensen in een ogenblik kunnen worden herschapen, maar wat zou er dan overblijven van hun vrijheid en hun zelfstandigheid en wat zou er dan terecht komen van de door de mensen zelf te veroveren levensbekwaamheid? De vorming van het hart is toch immers aan de mens zelf overgelaten? Elk mens dient zijn innerlijk levensprincipe zelf te consolideren, zonder enig ingrijpen van buitenaf, puur volgens eigen inzichten en geheel volgens zijn eigen vrije wil.
Iedere o­nvrije en gerichte vorming van een ziel is dan nog slechter dan helemaal geen. Ieder conflict met Gods almacht is de dood van het wezen. God vernietigt de door hem geschapen mensen niet. God treedt tegenover mensen niet op als rechter, maar als ordebrengende herder. God heeft nog nooit iemand vervloekt, want dan zou er geen liefde en wijsheid meer in hem zijn. God oordeelt niemand, maar iedereen oordeelt zichzelf naar zijn eigen liefde. Mensen zijn godswerken, en je mag niet ver-wachten dat God tegen zijn eigen werken te velde zal trekken en daardoor deze te gronde zal richten. God is de enige ware goede herder van al zijn schaapjes. Zijn grootste zorg is dan ook dat deze schepselen niet (hoe dan ook) weer in de armen van zijn almacht terecht komen. God is het beste in staat schepselen te beschermen tegen zijn almacht. God gebruikt zijn almacht nooit voor de vorming van de vrije zielen. Deze kunnen alleen uit zijn liefde en wijsheid o­ntstaan. Door deze zienswijze verliezen allerlei soorten misstanden en beproevingen hun schijn van
onrechtvaardigheid en misplaatstheid.
Mensen met een schijnbaar sterk geloof vallen weer terug in o­nzekerheid en zelfs o­ngeloof zodra hun een kleine beproeving overkomt, die God naar hun mening had moeten afwenden, omdat zij zichzelf toch tot de gelovigen rekenen. God zou dus de taak hebben hen tegen ieder kwaad te beschermen.
Jezus sprak ooit als volgt tegen de farizeeërs, die zichzelf ook als gelovigen zagen: “De bijl is aan jullie stam gelegd om de gifboom van jullie leven om te hakken. Klaag God daar niet voor aan, maar enkel en alleen jullie zelf. Jullie zullen oogsten wat jullie zaaien.”
Hoe lang zullen o­nmondige kinderen zich nog verstouten de leraar aanwijzingen te geven hoe hij hen moet opvoeden? o­nze grote leraar voedt als Vader zijn kinderen echter niet op zoals zij willen, maar zoals het beste voor hen is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Controlesom *