Wie is de `gij' in het tiende gebod?

Jakob Lorber - De Geestelijke zon (deel 2)

«« 94 / 127 »»
[1] In de wet staat: 'Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren'. Kan men hier niet vragen: wie is nu eigenlijk die gij? Is het iemand die getrouwd is, een weduwnaar, een ongehuwde jongeman, een jongeling of is het misschien ook een vrouw, tegen wie men toch ook kan zeggen: gij zult dit of dat niet doen? Men zal nu zeggen: dat is voornamelijk voor het mannelijk geslacht bedoeld, zonder onderscheid, ongehuwd of gehuwd, en dat de vrouwen terloops ook meegerekend kunnen worden en niet het recht hebben om andere mannen te verleiden en te begeren, spreekt vanzelf.
[2] Ik zeg daarentegen: als mensen reeds in staat zijn om hun wetgeving zo haarfijn vast te leggen en in hun wetgeving voor alle mogelijke voorvallen aparte heel nauwkeurige en verstandige richtlijnen opstellen, dan zal men de Heer toch niet kunnen verwijten dat Hij uit onkunde onduidelijk geformuleerde wetten zou hebben gegeven of dat Hij, zoals een slimme advocaat, zijn wetten zo dubbelzinnig zou hebben opgesteld, dat de mensen er onvermijdelijk hoe dan ook wel tegen moeten zondigen.
[3] Om uit de nadere beschouwing van deze inderdaad onduidelijk geformuleerd lijkende wet een dergelijke conclusie te trekken, lijkt me toch wat al te bar. Men kan daarom veeleer concluderen dat deze wet, evenals alle andere, hoogst nauwkeurig is. Zij is alleen mettertijd en heel in het bijzonder in de tijd dat de hiërarchie is ontstaan, zodanig verdraaid en verkeerd uitgelegd, dat nu geen mens meer de eigenlijke, ware betekenis van deze wet kent. En dat is uit pure hebzucht gebeurd. In haar eigenlijke zuivere betekenis zou deze wet het priesterdom nooit een cent hebben opgebracht, maar in haar versluierde betekenis gaf zij aanleiding tot allerlei betaalde bemiddelingen, dispensaties en echtscheidingen, en dat natuurlijk vroeger heel wat meer dan tegenwoordig. Want destijds was het zo gesteld, dat twee of meerdere buren zich helemaal niet konden beschermen tegen het zondigen tegen deze wet. Waarom dan niet?
[4] Zij moesten natuurlijk uit overgrote vrees voor de hel verscheidene keren per jaar gewetensvol biechten. Dan werden ze op dit punt heel ijverig ondervraagd en dan werd, ingeval een of andere buurman een mooie jonge vrouw had, zelfs al een gedachte, een blik, of eventueel een gesprek van de zijde van de andere mannelijke buren reeds tot overspelige zonde tegen dit gebod verklaard, waarvoor meestal een offer als boetedoening werd opgelegd. Was er zelfs sprake van een wat sterkere toenadering, dan was ook de volledige verdoemenis al een feit en degene die op de weegschaal van St. Michaël al tot in de hel was gezonken moest op de andere lege schaal zeer aanzienlijke offers werpen, opdat deze weer overwicht kreeg en de arme verdoemde zondaar gelukkig weer uit de hel trok. De over Gods macht beschikkende priesters behoorden volstrekt niet tot degenen die slechts zeer veel verlangen, nee, zij wilden werkelijk liever alles!
[5] Op deze wijze moesten eertijds veel zeer welgestelde ridders en graven het onderspit delven en bovendien nog, als een uit de hel verlossende boete, hun goederen aan de kerk vermaken. Hun eventueel achtergebleven vrouwen werden als verzoening voor de straf van hun ontrouwe man in een klooster opgenomen. Ook de eventuele kinderen, zowel jongens als meisjes, werden dan gewoonlijk ondergebracht in kloosters, waarin men geen aardse rijkdommen mag bezitten.
[6] Ik denk dat dit genoeg zal zijn om al het werkelijk smadelijke dat uit de verdraaiing van deze wet tevoorschijn kwam, te onderkennen. Het onbepaalde 'gij' van de wet was de oorsprong van de dispensaties, die gewoonlijk het meeste hebben opgebracht. Had iemand een groot offer gebracht, dan kon men dat 'gij' zo wijzigen dat de zondaar in ieder geval niet in de hel kwam. Daarentegen kon aan dit 'gij' echter ook zo'n verdoemende definitie gegeven worden, en wel ten gevolge van de aanmatigende macht tot binden en ontbinden, dat alleen zeer aanzienlijke offers de zondaar bij zijn verlossing uit de hel behulpzaam konden zijn.
[7] We hebben nu gezien tot welke afdwalingen dat onduidelijke gij aanleiding heeft gegeven. We zullen daarmee echter geen genoegen nemen, maar nog enkele van zulke belachelijke uitleggingen beschouwen, opdat het eenieder des te duidelijker mag worden hoe noodzakelijk het voor iedereen is om de zuivere betekenis van de wet te kennen, zonder welke men nooit vrij kan worden, maar altijd slaafs onder de vloek van de wet moet verblijven. Laten we dus verdergaan.
«« 94 / 127 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.