Martinus met zijn hemelse begeleiders op de plaats van de verwoesting - De door Martinus veroordeelde Satan - Martinus' medelijden met de huilende Satan en diens bevrijding

Jakob Lorber - Bisschop Martinus

«« 190 / 204 »»
[1] Martinus kijkt nu aan alle kamen om zich heen, ziet geen huis meer, de Heer niet, niemand behalve zijn bovengenoemde begeleiders. Alles rondom is verwoest en vernietigd. Rook en reusachtige vuurzuilen stijgen met grote heftigheid uit de verwoeste zonnebodem op. Hier en daar gapen reusachtige kraters vol donderende gloed, waaruit van tijd tot tijd grote vuurmassa' s het wijde wereldruim in worden geslingerd. Hier en daar storten vele weer terug onder vreselijk gekraak en stuwen water in de grote gloeiende kraters, waardoor dan weer hevige nieuwe stoomexplosies veroorzaakt worden. En dat alles met een kracht, die een wereld als deze aarde miljoenen mijlen zou kunnen wegslingeren.
[2] Als MARTINUS nu ziet, hoe de macht van deze zonnevuurkrater met planeetgrote massa's speelt als op aarde de wind met de sneeuwvlokken, zegt hij verbaasd: 'Broeders, dat is meer, dan wat een armzalige mensengeest ooit zal kunnen begrijpen! Dat is toch immers een uiting van kracht, waar de hele aarde - als die kon denken als een mens - zich geen enkel begrip van kan maken! Zeg mij toch: Is dit alles de uitwerking en het werk van die aartsbooswicht Satan?'
[3] PETRUS zegt: 'Ongetwijfeld. Want wij helpen hem zeker nieten anderen zoals wij ook niet. Dus kunnen wij niet anders aannemen, dan dat het uitsluitend zijn werk is!'
[4] MARTINUS zegt: 'Maar waar is hij, zodat we naar hem toe kunnen gaan en hem de genadeslag kunnen geven?'
[5] PETRUS zegt: 'O broeder, dat is hier niet nodig. Hij zal je dadelijk zelf de eer en het bijzondere genoegen doen. Zie boven die grote krater verheft hij zich al zo gloeiend als vloeibaar erts, dat rondspattend uit een smeltoven stroomt. Maak je nu gereed voor zijn ontvangst, maar laat hem niet te dicht bij je komen, anders zou het je wel een beetje te warm kunnen worden!'
[6] MARTINUS zegt: 'Goed, goed, broeder, hij zal bij mij niet te ver gaan!'
[7] Hier richt MARTINUS meteen machtige woorden van oordeel tot de Satan, zeggend: 'De macht van de Heer in mij zal ter wille van de eeuwige vrede voor alle geschapen wezens, je voor eeuwig in deze vuurzee vasthouden! En opdat je des te minder kans zult hebben, om nieuwe plannen te smeden, zullen bovendien nog enkele kolossale bergen je hermetisch en rotsvast toedekken! Alzo geschiede het in Naam van de Heer!
[8] Nauwelijks heeft Martinus deze woorden uitgesproken of het gebeurt ook dienovereenkomstig. Maar het duurt niet lang, of Martinus vraagt aan Johannes: 'Broeder, jij kent de openbaring en hebt haar in jouw tijd vanuit de geest van de Heer voor de wereld geschreven. Zeg mij nu eens, is het goed of niet goed, wat ik nu met de booswicht heb gedaan?'
[9] JOHANNES zegt: 'Vraag je geweten en van daaruit de ordening Gods. Ik zeg je, ook jij bent zo oud als deze, die nu door jou verbannen is en jij was, tot de Heer je vastgreep, ook geheel en al slecht. Als de Heer daarom met jou zou hebben gedaan, zoals jij nu met deze boze geest die tegelijk met jou geschapen werd, zou je daarmee wel tevreden zijn geweest?'
[10] MARTINUS zegt: 'O broeder, dat zou toch wel het allerergste zijn, wat mij ooit zou kunnen overkomen! O zeg mij, voelt hij nu in deze toestand ook pijn?'
[11] JOHANNES zegt: 'Ik zeg je: de ergste, hevigste! Voel jij je nu opgelucht, dat hij zo verschrikkelijk gekweld wordt?'
[12] MARTINUS zegt: 'O, broeders, nee, nee, hij moet geen pijn lijden, alleen maar op non-actief staan; daarom weg met deze bedekking en met de vuurgloed!'
[13] Meteen gebeurt er, wat Martinus gebiedend uitspreekt. Satan richt zich vol pijn op, op de nog dampende slakken van de vroegere gloeiende krater en huilt erbarmelijk.
[14] Als Martinus dat ziet, zegt hij: 'Broeders, niettegenstaande zijn slechtheid van oudsher heb ik nu toch vreselijk medelijden met hem, de arme duivel. Hoe zou het zijn, als we hem nu eens bij ons riepen en hem dan de weg zouden wijzen die hij zou moeten bewandelen, zodat het dan beter met hem zou gaan? Want aan intelligentie ontbreekt het hem zeker niet, wel echter aan wil. En ik denk dat die toch met behulp van zijn eigen intelligentie ooit om te buigen zal zijn?! Wat denken jullie hierover, lieve broeders?'
[15] JOHANNES zegt: 'Jij hebt nu helemaal gelijk; want dat is ook de onveranderlijke wil van de Heer. Maar je zult je er zelf van overtuigen, dat er langs geen andere weg met hem iets bereikt kan worden, dan langs die van het lange, voortdurende oordeel - dat namelijk bestaat uit de uiterlijke, materiële schepping. Daardoor wordt hij steeds zwakker en onmachtiger en moet zich, bewust van een dergelijke zwakte en onmacht, toch in heel veel schikken, waarin hij zich in zijn vrije, ongerichte, volle kracht in eeuwigheid nooit zou schikken.
[16] Maar desalniettemin kun je met hem immers een poging wagen, om jezelf ervan te overtuigen, hoe het met zijn intelligentie en zijn wil gesteld is. Roep hem daarom hierheen en hij zal er ook meteen zijn!'
«« 190 / 204 »»
Graag willen wij u wijzen op het grote belang van aanschaf van de originele boekwerken die hier digitaal kunnen worden ingezien. Hiermee bevordert u de voortgang van de werkzaamheden m.b.t. herdrukken en uitgifte van nieuwe vertalingen, en niet te vergeten het beschikbaar houden van boeken voor een grote groep mensen die niet vertrouwd zijn met digitale communicatiemiddelen. Informatie over het bestellen van deze boeken vindt u op www.lorber.nl.