Categorie archief: Jakob Lorber

Jakob Lorber

Jezus Christus, de almachtige God – G.K. Holderer

Jezus Christus, de almachtige God
–  G.K. Holderer –

1.) Het onderwerp laat vermoedelijk bij velen de vraag opkomen, of Jezus Christus wel de zoon Gods is en niet God zelf! De kerken leren het zo. Daarom willen wij ons met deze bewering bezig houden, om aan het einde duidelijk te zien dat Jezus echt God zelf is!

Jezus werd door Maria, de dochter van Joachim en Anna, geboren en dat zonder toedoen van een man. Hier moet ons klaar worden dat wij van Jezus, de mens, spreken. Hij had een normaal lichaam zoals wij allemaal. Maar een mens heeft niet alleen een lichaam, maar ook een ziel en een geestvonk door God gegeven. En juist hier verschilt de mens Jezus van de andere mensen. Terwijl zijn ziel ook zo was als alle andere mensenzielen, was zijn geest – en dat zal zo blijven in alle eeuwigheid – de goddelijke geest hemzelf.

Met welke opgave heeft Jezus op de aarde geleefd?
Hiervoor moeten wij iets verder in het verleden zoeken. In het NT bij de apostel Johannes staat onmiddelbaar in het begin: “in het begin was het woord en het woord was God en woonde onder ons. En de wereld heeft het ( hem ) niet herkend.” Degene die wij niet herkend hebben, was Jezus, in die de goddelijke geest woonde.

Eigenlijk hoort onze ziel bij de geest, maar zij is nog niet weer zo zuiver dat zij met de geestvonk een eenheid kan vormen. Bij de geboorte van de mens heeft de ziel goede maar ook slechte – anders gezegd onvolkomene – eigenschappen. Hier in het aardse leven gaat het erom die nog onrijpe eigenschappen in een noodzakelijke reine toestand te brengen. Alle eigenschappen zoals haat, egoïsme, hoogmoed zijn het die aangesproken zijn. Liefde tot God, de hemelse Vader, naastenliefde, geduld, deemoed zijn de na te streven eigenschappen, die de ziel nodig heeft om weer met haar geest een eenheid te kunnen vormen. Dat was ook zo bij Jezus. Hij vocht in zijn jeugd tot aan het begin van de verkondiging van zijn leer met de zuivering van zijn ziel, die hij ook bereikte. Dat noemen wij ook de wedergeboorte van de geest in de ziel. Eerst wanneer de slechte eigenschappen uit de ziel weggehaald zijn, kan de verbinding met haar geest worden voltrokken.

Bij Jezus was dit bijzonder belangrijk, want zijn geest was niet zoals bij ons mensen een van God gegeven geestvonk maar het was de goddelijke geest zelf. Zijn gedemonstreerde “wonderen” leggen getuigenis hiervoor af. Geen enkel mens is in staat deze wonderen met een enkel woord uit te voeren zoals Jezus het deed. Zijn geest volbrachte deze wonderen, zijn geest die met zijn ziel verbonden was.

Jezus leerde de mensen dat het in het aardse leven niet om macht en geld gaat, maar dat het aardse leven een tijd van voorbereiding is voor een daarop volgend leven in de geest. Wij weten van de Bijbel dat God Geest is en wij zullen na dit materieel leven van voorbereiding in zijn geestelijk rijk leven.

2.) Waarom kwam God als mens Jezus op onze aarde?

De mensen werden oorspronkelijk van God als geestwezens geschapen maar niet als materiele wezens. Maar dat ligt ontelbare tijden terug. Na het afvallen van een gedeelte van de geestwezens onder leiding van Luzifer (ook Satana genoemd), besloot de liefde in God om al deze wezens een mogelijkheid te geven om terug te keren in hun vroegere sfeer, het geestelijke rijk Gods. Want na de afscheiding van God hadden zij geen toegang meer tot de goddelijke energie van de liefde, wat betekende, dat zij allemaal de eeuwige dood tegemoet liepen.

De liefde in God was de initiatiefnemer en had allen wezens het leven gegeven. De liefde Gods is met andere woorden de Vader van allen geschapen wezens en de liefde voelde zich ook verantwoordelijk deze voor hun ondergang te redden. Het voorbeeld van de ‘verloren zoon’ is hiervoor kenmerkend. Als je bedenkt dat de Godheid het gehele universum tot in alle eeuwigheid inneemt en dat plaatselijk als ook tijdelijk, dan zien wij ook, dat alle van God geschapen wezens in de Godheid zelf leven en wonen. Zouden deze afvalligen sterven, dan zou dat betekenen dat een gedeelte van God de dood zou vinden. En dat is absoluut onmogelijk! Daarom moest de liefde van God als de initiatiefnemer een weg vinden om de afvalligen terug te leiden.

De weg terug kon niet direct binnen het geestelijke rijk plaatsvinden, maar er moest eerst een “tussenstation”, namelijk een materieel levensbereik, geschapen worden. Daarom leven wij mensen, waarvan de meesten tot de afvalligen horen, op deze materiele aarde. Hier hebben wij de mogelijkheid om onze slechte eigenschappen af te leggen.

Adam en Eva, de eerste mensen met een geestvonk Gods, faalden bij hun opdracht gehoorzaam tegenover God te zijn om hun slechte eigenschappen te verbeteren. Nu was het nog steeds niet mogelijk in de hemel, de hoogste sfeer van het geestelijke rijk terug te komen.

De liefde van God, die onze Vader is, besloot daarom zelf als een materieel mens naar de aarde te gaan om de opgave van de zuivering van de ziel te volbrengen. Dat lukte de mens Jezus ook! Zo werd het bewijs gegeven, dat bij ieder mens zijn oorspronkelijk onreine ziel weer volledig kon gezuiverd worden en er weer toegang tot de hemel bestond. Maar hiermee was het nog niet genoeg. Jezus naam de volle deemoed aan en lied zich aan het kruis doden, hoewel hij de macht had al zijn tegenstanders te vernietigen.

Laat ons herinneren, dat alle mensen, dus alle van de liefde geschapen wezens in het geestelijke rijk terug geleid moeten worden. Niemand mag verloren gaan, ook niet de beulsknechten die hem de dood brachten. Door deze ongelooflijke daad heeft Jezus Luzifer voor altijd overwonnen en heeft de – hoe wij het noemen – de oerzonde, dat is de afval van Luzifer van de liefde Gods, op zich genomen en overwonnen.

3.) Waar gaan de mensen naartoe na hun lichamelijke sterven?

Jezus heeft een keer gezegd: “In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.” Het huis Gods is het gehele geestelijke rijk. De hemel daarin is de hoogste sfeer van reinheid en daar is ook de hemelse stad Jeruzalem, de woonplaats van de goddelijke Liefde, dus van Jezus! Het tegengestelde van de hemel is de hel. Mensen die nog hun slechte eigenschappen hebben, omdat zij deze in het aardse leven niet wilden veranderen, zullen zich in de hel tegen komen. Maar dat betekent niet dat zij daar voor altijd moeten blijven, maar wel zolang zij hun eigenschappen niet willen veranderen, verbeteren. Er is geen algemeen of individueel oordeel door God nodig om de mensen te veroordelen, waar naartoe zij na hun overlijden in het geestelijke rijk moeten gaan, want dat is al in de eeuwige orde Gods vastgelegd. De daar aankomende mens wil conform zijn aard van de ziel daar naartoe, waar hij gelijkgezinde mensen vind. Heeft hij een zuivere of tenminste merendeels zuivere ziel, dan zal hij direct in een hogere sfeer, als b.v. het paradijs, door een engel geleid worden. Ook daar is het nog noodzakelijk om verder te leren, voordat men de hoogste stap naar de hemel aankan.

Het leren, dat wij zoals God ook geest zijn en daarom ons ‘zijn’ moeten gestalten, kan met het materiele lichaam op aarde beduidend rapper gebeuren dan in het geestelijke rijk. Hier op de aarde kunnen wij ons door de vele verschillende indrukken van de buitenwereld relatief snel aanpassen en veranderen. Tegenovergesteld – bevinden wij ons al in de geestelijke sfeer, waar wij geen vleselijk lichaam meer hebben, dan willen wij ook daar blijven, waar de medemensen gelijkgezind zijn zoals wij zelf.

Het verschil in tijd voor een verbetering van de ziel is in het geestelijke rijk zeker honderd tot duizend keer langer dan op de aarde. Wie hier op aarde te gemakzuchtig is, zal daardoor op een enorme omweg terecht komen om aan de overkant eens gelukkig te worden, en daar zijn nog niet het verdriet en de pijn genoemd die degene moet doorstaan om een verbetering te bereiken.

Spreken wij nu van Jezus Christus, dan is dit de mensenzoon, die ook zijn discipelen broers noemde. De innerlijke geest van de mens Jezus is de levende God zelf. Na zijn opstanding was zijn lichaam en zijn ziel, die beide menselijk waren, in zijn geest herboren. Vanuit de menselijke Christus is nu de Liefde van God te voorschijn gekomen, die onze hemelse Vader is. Wij zijn zijn kinderen, goddelijke kinderen! Met dit weten zou het toch mogelijk zijn voor ons het tijdelijke leven op de aarde zo te gestalten dat wij ons tijdens de overgang in het eeuwige zijn kunnen verheugen!

==================

G.K. Holderer, maart 2018.

Hoe verhouden de heiligheid en liefde in God zich tot elkaar? – Wilfried Schlätz en M. Gies-Ruffing

Hoe verhouden de heiligheid en liefde in God zich tot elkaar?

door Wilfried Schlätz en M. Gies-Ruffing

ingekorte vertaling

1. Inleiding

Er bestaat een bepaalde moeilijkheid in het Lorberwerk doordat veel begrippen in een andere context een andere betekenis hebben, waardoor gemakkelijk verwarring over deze begrippen en over het Godsbeeld kan ontstaan kan, als je het niet zorgvuldig bekijkt.

Wat wordt hier in de te onderzoeken teksten precies met “heiligheid” en “liefde” bedoeld, en wat is hun verhouding tot elkaar?

In de gekozen teksten wordt de oneindige heiligheid Gods “Vader” genoemd en dat heeft betrekking op het oneindige, vormloze, onbegrensde buitenwezen van God. God in zijn almacht, onbegrensdheid, oneindigheid, vormloosheid, heiligheid kunnen wij met ons menselijk begrensd denken niet echt vatten en begrijpen. (2HG 138,15).

De oneindige Liefde Gods wordt hier “Zoon” genoemd (1HG 9,26) en heeft betrekking op het eindelijk, begrensd binnenwezen Gods, het persoonlijke centrum van God. De begrepen “eindelijk”, “begrensd” geven hier alleen aan dat God in zijn centrum van eeuwigheid af aan oermens was en in en als Jezus voor ons zichtbaar werd. Alleen volgens zijn oneindig buitenwezen is God vormloos, ongrijpbaar, onvatbaar. Volgens zijn binnenwezen is hij van eeuwigheid af aan een oermens. Alleen op die manier kunnen wij hem grijpen, zo ver het mensmogelijk is en ook lief hebben. Later meer hierover.

Voor die hier te onderzoekende teksten geldt:

De oneindige Heiligheid Gods = “Vader” = oneindig, vormloos buitenwezen Gods.

De oneindige Liefde Gods = “Zoon” = eindelijk, begrensd binnenwezen = persoonlijk centrum van God, oermens.

Alle beide vormen samen de totaliteit van God in Jezus, die voor ons zichtbaar en te beleven is!

1HG 5,2: “De Godheid was van eeuwigheid af aan de alle oneindigheid der oneindigheden doordringende kracht en was en is en zal eeuwig de oneindigheid zelf zijn [ buitenwezen]. In het midden van haar diepte was ik van eeuwigheid af aan de Liefde en het leven in haar.” [ binnenwezen, centrum].

Het zal hier niet onvermeld blijven, dat de oneindige Heiligheid zich eerst dan “Vader” noemt, als haar schepselen gevallen waren en haar Liefde zich om de gevallenen erbarmd had. Dan wordt haar Liefde ook tot de “Zoon”.(1HG 5, 24-26)

Het komt de vraag naar voren: Hoe is er de verhouding tussen de heiligheid en de liefde in God? Is er een onoplosbare tegenspraak tussen de oneindige hoogheid, Heiligheid Gods, die geen opstand of bezoedeling tegen haar heiligheid mag dulden, om de orde niet in gevaar te brengen en de alles vergevende en erbarmende Liefde?

Het zal in verloop van dit artikel erop gewezen worden, dat Heiligheid en Liefde in God de één niet zonder de ander zijn kan, dat zij onafscheidelijk bij elkaar horen, dat zij zich vervolmaken, steunen, bevruchten en dat zo uiteindelijk in God ook een vooruitgang, verdieping en een uitbreiding plaats vindt. En deze ontwikkeling gebeurt ook door de verhoudingen met zijn schepselen, met ons, zijn kinderen. (4GEJ 255, 2-5)

In een uitkijk zal afsluitend de vraag aangegaan worden: Wat betekent dat alles voor ons? Hoe kunnen wij de gewonnen inzichten voor ons alledaags leven nutten?

 

2. De verhouding tussen heiligheid en liefde in de scheppingsgeschiedenis en de geschiedenis van de mensheid

In beslissende situaties, zowel het scheppingsverhaal als ook tijdens het aardse leven van Jezus, heeft de Liefde in het Godscentrum (Zoon) steeds met haar Heiligheid (Vader) gestreden. Wat weer laat zien dat het oneindig buitenwezen Gods, diens oneindig macht, kracht en heiligheid en het persoonlijke binnenwezen diens oneindige liefde en wijsheid onafscheidelijk samen horen.

Voorbelden zijn: val van de geesten, zondeval, de doop van Jezus in de Jordan, Tabor, droom van Eudokia, Gethsemane en uiteindelijk de dood aan het kruis.

 

3. Val van de geesten, zondeval

In de Huishouding van God lezen wij: de schepping ontstond vanuit de verbinding van de Godheid, het oneindig, vormloos buitenwezen Gods (+ Vader = kracht = heiligheid) met haar liefde, het “eindelijk”, menselijk gevormde binnenwezen Gods (= Zoon = persoonlijk Godscentrum). Wij horen, hoe de liefde gesterkt wordt door de kracht van de Godheid en hoe de Liefde ook de Godheid sterkt.

“En God zag de grote heerlijkheid van Zijn Liefde in zich en de Liefde werd gesterkt met de kracht van de Godheid en zo verbond de Godheid zich voor eeuwig met de Liefde.” (1HG 5,4)

“Toen ging het Woord [van de Liefde] in de Godheid over en Zij werd geheel en al Liefde. En zie, toen spraak de Godheid voor het eerste maal: “Het zij!” En een leger van geesten werd uit God vrij.” (1HG 5,7)

Uit deze wederzijdige verbinding en bevruchting van de Heiligheid en Liefde werd de schepping geboren. Maar een gedeelte van de eerste geesten (een zevende aandeel) kwam in opstand en wilde “zijn zoals God”. Dit liet het eerste schijnbare conflict tussen de Heiligheid en haar Liefde ontstaan.

“En de Liefde betreurde [Zoon, oneindige Liefde Gods] de verlorenen; maar de Godheid [ “Vader”, oneindige Heiligheid Gods] begon te trillen van toorn.”(1HG 5,21)

De Heiligheid kan niet toelaten dat de orde beschadigd wordt. De toorn van de Godheid wordt tot donder, maar hij vernietigd niet, maar keert zich aan haar Liefde, geeft aan haar Liefde de gehele macht. “En de donder werd in haar tot woord en spraak:”Alle macht zal aan Jou ondergeschikt zijn; handel naar je eigen goeddunken en spreek ‘Er zij!’ en er zal zijn!” (1HG 55,21)

Dit toekeren van de Godheid tot haar Liefde verandert en verdiept de Liefde en wordt tot erbarmen:

“En zie, de Liefde werd ontroerd tot in haar binnenste en de eerste traan vloeide uit het oog van de eeuwige Liefde en deze traan vloeide uit het hart van de Godheid [uit haar centrum!] en heette en heet en zal eeuwig heten erbarmen, [1HG 5,22] en temperden het vuur in Gods toorn” [1HG 5,23]

God erbarmde zich over de gevallenen en schiep de aarde, de sterren, planeten en de mens. Door het gebeuren van de zondeval van het eerste mensenpaar komt de schepping weerr in moeilijkheden, weer komt het tot een conflict binnen God. De Liefde in God wil de schepselen redden, de Heiligheid wil alles vernietigen, opdat de Liefde zich weer met haar zal verbinden in plaats met de gevallenen (1HG 9,14), want de Liefde was naar haar boetvaardige kinderen gegaan en had zich daardoor van haar Heiligheid afgescheiden.

“En de vlammen van de toorn van God, van de Oneindige, rolden schrikbarend door al de eindeloze ruimten naar de aarde toe, waar de grote Liefde nu vertoefde bij haar rouwende en treurende gevallen kinderen.” (1HG 9,8)

“en zie, er woedde een hevige strijd tussen de eeuwige Liefde, die door het berouw en verdriet van de geschapenen weer erbarmen met hen had en de woedende Godheid, die alles wilde vernietigen ter verzoening van haar integere heiligheid (1HG 9,9).

De “integere” Heiligheid Gods (“Vader”) vraagt om de instandhouding van de gegeven orde, de “vlammenvloed van toorn van de boos geworden Godheid” (1HG 9,10) is daarbij haar gehele schepping te vernietigen. Maar op dat moment tred haar Liefde (“zoon”) matigend tegen en zegt:

“Grote verheven God, lenig Uw grote toorn en blus de vernietigende vlammen van Uw zeer gerechtvaardigde gramschap, want de vlammende woede van Uw [van de Godheid] toorn zal de rechtvaardigen verwoesten en zal de eeuwige Liefde in U vernietigen en zal Uzelf gevangennemen in Uw bovenmaatse macht en kracht van de Heiligheid.” 1HG 9,11).

Maar deze tegenwerping was voor de Godheid nog niet genoeg. Zij was bang voor een afscheiding van haar “zwak geworden Liefde” (1HG 9,14) en wilde haar schepping vernietigen. De Liefde moest meer doen dan alleen maar argumenteren en appelleren. Zij moest zelf voor voldoening voor de daden van de gevallenen zorgen:

En zie nu en luister verder, wat de erbarmende Liefde toen spraak en deed: [1HG 9,17]

“Grote, almachtige God van alle macht, alle kracht en alle heiligheid! Laat Uw hevige toorn varen en stil het vuur van Uw alles verwoestende gramschap en luister in de rust van Uw Heiligheid naar de woorden van Uw eeuwige Liefde, die het enige leven in U is {…} en wil niet het leven in haar [de Liefde} vernietigen, maar laat genade voor recht gelden en laat de Liefde U genoegdoening geven en eis verzoening voor Uwe bezeerde en beledigde Heiligheid, en geen offer dat U van haar mocht eisen ter eeuwige verzoening van Uw Heiligheid zal voor Uw Liefde te groot zijn!” (1HG 9,18)

“Het vuur temperde en de Liefde begreep de donder van God, die vel spraak: ( 1HG 9,19) : “Ik wil alle schuld op jou laten neerkomen […] en jij moet de smaad van mijn heiligheid vereffenen […] die het band is tussen mij en jij.” [1HG 9,20)

Deze eerste hoofdstukken van de HG laten zien: Niet alleen de Heiligheid Gods geeft de Liefde een grens aan zoals boven gezegd (“integer”). De Liefde geeft van zich uit ook grenzen aan de Heiligheid, de almacht, opdat die zich niet zelf vernietigd. Het is een tegenzijdse begrenzing en daardoor ook een tegenzijdse steun.

De Liefde offert zich helemaal, geen offer is te groot, omdat zij weet dat de Heiligheid verzoening vraagt, opdat de orde in de schepping onderhouden blijft.

Hier is ook te zien, hoe het buitenwezen Gods in zijn oneindige macht, kracht en heiligheid noodzakelijk van zijn binnenwezen afhankelijk is. Zou God zijn centrum, zijn liefde “als het alleen bestaande leven” in hem (1HG 9,18) vernietigen, dan zou God zichzelf vernietigen. Hier wordt al de liefdesdood van Jezus voorbereid.

Het wordt ook duidelijk dat Liefde en Heiligheid onafscheidelijk bij elkaar horen. Het begrip “eeuwige band” (1HG 9,20) laat zien, dat er geen echte afscheiding tussen Liefde en Heiligheid bij God bestaat.

(1HG 9,24ff): Toen nu de eeuwige Liefde de eisen aanvaardde en daardoor al van tevoren genoegdoening verschafte aan de grote Heiligheid van God, liet de Godheid […] haar heilige wil horen en spraak als volgt:[25] “Zie jou grote barmhartigheid is in mij opgestegen [26] en zie, daarom wil ik mijn gerichten opheffen […] en wil de schade […] weer goed maken. En buiten mij kan niemand iets goed maken dan ik alleen, omdat niemand goed is, behalve ik, de heilige Vader, want dat zal voortaan voor eeuwig mijn naam zijn. En jij, mijn Liefde bent mijn Zoon; en de Heiligheid als machtige alom werkende band van de kracht tussen ons, is de Heilige Geest“( 1HG 9,24-26).

Eigenlijk is dit de schildering van de triniteit, maar niet in drie personen, maar in drie verschillende aspecten van de ene Godheid (“éénpersoonlijke drie-eenheid” T.Noack) .

Maar wij zien ook: eerst wanneer de onaantastbare Heiligheid Gods (buitenwezen) en zijn verzoenende Liefde (binnenwezen, centrum van de liefde) samenkomen en hieruit de alles werkende kracht (Heilige Geest) uitstroomt, is de Godheid volkomen – en zij is altijd volkomen! De Liefde moest zich van de Heiligheid afscheiden als haar schepselen afgevallen waren, om zij de beschermen voor de toorn van de Heiligheid. Maar de Heiligheid heeft zich ook gebuigt, anders zou zij alleen gebleven zijn.

Belangrijk: de Heer kenmerkt zich voor het eerste keer als Vader – in een moment als zijn schepselen ongehoorzaam waren en zich tegen zijn wetten hadden vergaan. Wat een voorbeeld!!! Hiermee wordt eigenlijk ook al de “terugkeer van de verloren zoon” ( Luzifer) voorbereid.

Door het schapen van de schepselen en vooral door de erbarmende liefde wordt de Godheid tot “Vader”, de liefde tot “Zoon” en de oneindige heiligheid, de hoogheid, is nu niet meer het afscheidende maar het verbindende element tussen het buitenwezen en het binnenwezen, tussen Godheid en Godscentrum: “en de Heiligheid als de machtige alom werkende band van de kracht tussen ons”(1HG 9,26)

De Liefde heeft de Heiligheid van haar zware last van de ongenaakbaarheid, de afgescheidenheid verlost, de Heiligheid kan tot “Vader” worden, zonder de bindende heiligheid van de Godheid te moeten afstaan.

Het is te zien: God is geen star, statisch wezen. Met de ontwikkeling van zijn schepping verandert zich ook Hij, de Schepper. Het geeft een zich tegenzijdig beïnvloeden van het buitenwezen en het binnenwezen, van Heiligheid en Liefde, van “Vader” en “Zoon”, een verdieping,” (4GJE 252, Vlieg 7,23).

 

4. Geschenken uit de hemel: De zeer zwakke

Nog een belangrijke bron voor de verhouding van Liefde en Heiligheid in God vinden wij in de Geschenken uit de hemel 3, pag. 61 ff: “De zeer zwakke”.

Hier wordt in een uitstekende wijze en nog veel dieper dan in de Huishouding van God beschreven, waaruit de verlossing door Jezus bestond en waarom zij nodig was.

Het komt de vraag naar voren: Hoe kon zich de Liefde in Jezus van de Heiligheid Gods afscheiden?

“Ja, hoe U tot de grootste verachter van Gods heiligheid worden? Ja, hoe kon U alle grote en kleine zonden op U nemen vanaf het begin van de wereld tot aan het eind ervan, daar U toch de liefde van God zelf was en de Vader in U zoals U in de Vader en God in U zoals U in God?”

De Heer zegt: “Zie, de wereld was dus dood in haar verdorvenheid en kon zich onmogelijk zelf meer voegen naar Gods onaantastbaar Heiligheid. Ze moest dus voortdurend vanuit Gods erbarmende liefde gericht [in orde gebracht] worden, opdat ze als het minste, dat ze was, kon bestaan; maar zeg zelf, wat is een gericht ding, is het dood of levend?”(3GvdH pag.62)

De mensen waren voor de verlossingsdaad maar nog zoals dode automaten, die alleen nog door de erbarmende liefde Gods leefden, maar niet echt vrij waren.

Wij ervaren hier, dat het de Liefde niet alleen daarom ging, door de offerdaad op Golgotha haar Heiligheid voldoening te geven, maar dat zij zich ook in een onvatbare liefde en deemoed tot haar kinderen boog, om uit “dode automaten” weer levende vrije mensen te maken.

“Zie, wat moest er nu dan gebeuren, daar enkel en alleen ik het leven ben en het leven in en uit mij heb, om de wereld die voortdurend gericht (in orde gebracht) moest worden, en waar en vrij en niet enkel mechanisch leven te geven?

Zie, toen moest de Liefde zich scheiden van God, diens oereeuwige kracht, waaruit ze eeuwig wordt geboren en de kracht van God eeuwig uit haar. Dus dit eeuwige leven uit zichzelf of uit Gods oereeuwige kracht moest een breuk met God bewerkstelligen en zich neerlaten op de dode wereld en zich sterfelijk bekleden, opdat het sterfelijke daardoor de sterfelijkheid zou verliezen en weer vrij levend zou worden.” (GvdH pag. 62,8+9)

“een breuk bewerkstelligen” heet: De oneindige liefde in Jezus moest vrijwillig van haar almacht, haar oneindige kracht afzien en in de diepste deemoed gaan, om de weg van de terugkeer vrij te maken, zonder de goddelijke orde te storen.

Deze bevrijding was alleen mogelijk, als God ook een ware mens zou worden met een geschapen lichaam, geschapen ziel en een menselijk geest. Dat is het wat met “het sterfelijke aantrekken” bedoelt is. Een deel-mens zou een leugen geweest zijn, want de Heer verlangt van ons: “Volg mij”. Daarom moest hij ook als een vol-mens ons vooruitgaan.

 

5. Herberg van Lazarus

Het sterkste getuigenis voor Jezus als de ware geschapen God en tegelijk als ware geschapen mens geeft de Heer aan zijn dicht bij hem zijnde begeleiders in de herberg van Lazarus op de olijfberg. Daar spreekt hij bijzonder duidelijk tegen zijn rijpste begeleiders:

“Ik ben, zoals Ik nu bij jullie ben als een mens in het vlees, de Zoon en ben nooit door iemand anders dan alleen door mijzelf verwekt en ben derhalve mijn hoogst eigen vader van eeuwigheid. Waar zou de Vader (buitenwezen) anders kunnen zijn dan in de Zoon (binnenwezen, Godscentrum) en waar anders de Zoon dan in de Vader, dus slechts één God en Vader in één persoon?”(8GJE 27,2).

“Ik, zoals jullie mij nu als Godmens bij jullie zien, ben Ik met mijn hele oercentraalwezen beslist volkomen een ongedeeld in jullie midden, hier in deze eetzaal op de Olijfberg, en bevind mij dus als hoogst ware God en mens nergens anders, (…) maar door de van mij uitgaande kracht, die de Heilige Geest is, vervul ik toch alle hemelen en de materiële en eindeloze ruimten met mijn werkzaamheid. Ik zie daarin alles van het grootste tot het kleinste, ken alles, weet alles, bepaal alles en schep, leidt en regeer alles.”(8GJE 27,4)

De Heer bekent dit voor zijn eigen discipelen, zijn Joodse vrienden zoals Lazarus, voor Farizeeërs, Romeinen zoals Agricola, voor Indiase magiërs, Egyptenaren, in het principe voor alle vertegenwoordiger van de destijdse wereld. Het lijkt als een voorteken, als een troostende toezegging voor ons vandaag: “Komt allen naar mij!”

 

6. Het “Godscentrum” en “God als de eeuwige oermens” zijn sleutelwoorden

De oervaders dachten al na over de samenhang tussen oneindige en eindige wijsheid van God. In het gesprek tussen Jarid en Abedam (Jehova) legt de Heer uit: “Wat jullie de oneindigheid [buitenwezen] van de ruimte noemen, is de geest van mijn wil, die sinds eeuwigheden deze eindeloze ruimte heeft geschapen en haar allerwegen heeft gevuld met wezens van allerlei soort. Deze geest heeft echter een centrum, dat een wezenlijke gedaantevorm [binnenwezen, persoonlijk Godscentrum]heeft, waarin alle macht van deze oneindige geest verenigt is om werkzaam te zijn en dit machtscentrum van het oneindige goddelijke geestwezen is de liefde welke het leven is van deze geest en deze liefde ben Ik van eeuwigheid.” (2HG 139,20)

In zijn oneindigheid en volkomenheid is God door niemand bereikbaar. “Maar wel kan Ik iedereen benaderen en er ook voor zorgen dar iedereen Mij kan benaderen. [namelijk in de vorm van een mens!].

Alleen de liefde is de maatstaf voor mijn Goddelijkheid en ben met geen ander maatstaf meetbaar, want Ik ben waarachtig een oneindige God. – In de geest is dit de machtsvolkomenheid van Mijn wil en Mijn liefde en wijsheid; de gestaltelelijke wezenheid is een en dezelfde, volgens haar jullie allen zijn gemaakt naar Mijn wezenlijke evenbeeld.!” “Niemand zal Mij ooit in een ander vorm zien dan in gene, hoe jullie mij nu zien in de geest! Amen.”

“Zie, als ik nu één en dezelfde ben, als ik ook in de zon ben, maar voor jou zodanig dat je mij volkomen kan naderen zoals de ene broeder de andere.” [en de Heer zegt verder:] “Bovendien zouden jij en ik toch niet volmaakt gelukkig zijn als het mij niet mogelijk zou zijn om zelf als Vader overal, waar mijn kinderen ook zullen zijn, met mijn ware hele persoonlijkheid aanwezig te zijn.” […] hoe verweesd zouden dan mijn kinderen zijn en hoe alleen zou ik staan temidden van hen?”

Jezus is de Vader, hij is het centrum, hij heeft mensengestalte, ook omdat hij als Vader gezien en geliefd wil zijn!

Zo bekent ook de apostel Johannes zijn begeleiders: GZ2,13,2: “Ik zeg jullie: God, dan bedoelen jullie weliswaar ook het allerhoogst wezen, maar dan in zijn oneindigheid zoals het het heelal vult en daar met zijn oneindige kracht van eeuwigheid tot eeuwigheid werkzaam is. Maar met de naam Jezus duiden jullie het volmaakte, machtige wezenlijke centrum aan of nog duidelijker gezegd: Jezus is de waarachtige, meest eigenlijke, wezenlijke God als mens, zoals stralen voortkomen uit de zon, zo komt uit hem de hele Godheid voort die als Geest van oneindige macht, kracht en gezag de oneindigheid geheel en al vult. Jezus is bijgevolg het alomvattende wezen van de totale Godheid oftewel, in Jezus woont de Godheid waarachtig, lichamelijk wezenlijk in haar oneindige totaliteit.”

Bedenk: Begrijpen, bevatten en vooral lief hebben kunnen wij God alleen in zijn binnenwezen als oermens. Hij is het persoonlijke centrum van de Godheid. God werd dus niet eerst mens in Jezus, maar Hij was in zijn binnenwezen de eeuwige oermens van begin aan, maar zichtbaar voor ons eerst sinds zijn incaneren.

 

7. Gethsemane

In Gethsemane stond het zijn of niet-zijn van de hele schepping op scherp. In de ‘Zeer Zwakke’ lezen wij, dat (3GvdH”61ff): “Zie (… ), ik wil jullie nu ook een beetje met de verwijten bekend maken, die mij (de oneindige Liefde) onvermijdelijk door de Heiligheid van God gemaakt werden, opdat jullie iets te weten zullen komen wat de wereld tot op dit moment nog niet te weten is gekomen.- Jullie weten, dat alles wat in de oneindigheid geschapen werd, […} door Mij in het bestaan werd geroepen. Omdat de wereld lijnrecht in strijd was met Gods Heiligheid, werd Ik [de Liefde], die teweeggebracht had wat Gods Heiligheid moest verdoemen, met dezelfde verwijt getroffen.

Zie, slechts twee wegen stonden voor mij open, namelijk de weg naar boven en de weg naar beneden, dwz: Ik keer terug naar God wordt één met Hem, vernietig met de kracht van zijn Heiligheid alles wat uit mij is voortgekomen – of – Ik scheid mij, beladen met alle verwijten van God af, breng dan mijn werken weer tot leven en heilig ze en geef in mijn oneindige verdeemoediging genoegdoening aan Gods oneindige Heiligheid. Wat was te doen?

Zie, als ik niet de oneindige liefde zelf was, zoals God de oneindige heiligheid zelf is, dan zou ik natuurlijk het eerste gedaan hebben. Alleen mijn Liefde was instaat het onuitsprekelijke uitspreekbaar te maken, verloochende haar Heiligheid en maakte zich onheilig, omdat ze zich belastte met alle schuld en dus ook met de zwaarste last van de dood.”

Hier zien wij dat het een (schijnbaar) conflict in Jehova, in het centrum van de Liefde gaf. Hij, de schepper van alles, heeft zijn schepselen zo geschapen, dat zij een vrije wil hebben om ook te kunnen zondigen en zich tegen de heiligheid te vergaan. Maar de Liefde deemoedigt zich diepst, verloochent haar Heiligheid, scheidt zich van haar almacht en redt op die manier haar schepping.

In Gethsemane beleeft Jezus zijn moeilijkste uur. Hij erkent wat op hem wacht. Zijn discipelen laten hem alleen en hij had zich voor het offer van zijn Heiligheid afgescheiden om door deze oneindige verdeemoediging op Golgotha zijn schepselen te redden. Hij is alleen.

“Want, of ik drink de kelk en dan bestaat de wereld en alles wat daarop is – of Ik zet de kelk opzij en de wereld en alles wordt vernietigd op hetzelfde moment waarop Ik de kelk opzij zet.”

Maar nu ervaren wij iets heel verwonderlijks: De Heiligheid erbarmt zich over de Liefde! Toen de Liefde echt zwak wilde worden, kwam de Heiligheid en heeft haar Liefde gesterkt, opdat de Liefde haar bittere weg tot einde kon brengen. Dat heeft alles de Liefde gedaan, gescheiden van haar kracht en heiligheid, maar wel ondersteund door de Heiligheid.

 

8. De dood aan het kruis

Toen Jezus riep: “Mijn God, mijn God, waarom heeft U mij verlaten?”, was dit tweevoudig gesproken.

– gesproken van de geschapen mensenzoon, het geschapen menselijke Ik in Jezus. Hij voelde, hoe Jehova zich in hem terugtrok.

– en het riep de goddelijke Liefde in hem tot haar ongeschapen centrum van de Liefde Gods. Met “God” bedoelde zij de oneindige Heiligheid, die haar had verlaten.

“Het is volbracht”

Met de offerdood van Jezus werden twee dingen volbracht. Eenmaal heeft zich het menselijke Ik van Jezus vergoddelijkt en de terugweg naar het vaderhuis voor ons mensen vrijgemaakt. Zo was de éénwording van de mens Jezus met het ongeschapen Godscentrum bereikt. En ook heeft zich de oneindige Liefde in God met haar oneindige Heiligheid door haar verdeemoediging vereend. Dieper en rijker als het was van tevoren.

Vertaling: G.K. Holderer

======================

De weg tot het ware leven – G.K. Holderer

De weg tot het ware leven
– G.K. Holderer –

Jezus heeft ons de volgende waardevolle zin gegeven: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij!” Vervolgens willen wij deze weg nader bekijken.
Wat is dat voor een weg? Hoe kunnen wij deze weg vinden? Waar naartoe leidt deze weg? Wij willen op deze vragen het juiste antwoord opzoeken.

In een tijdelijk beperkt materieel leven op aarde is ons mensen de mogelijkheid gegeven inzichten te verzamelen, waarom wij überhaupt hier leven en hoe onze toekomst eruit zal zien. Wanneer wij begrepen hebben, dat op dit tijdelijk leven, dat haast niet langer dan 90 jaar duurt, een duurzaam leven opvolgt, dan zullen wij zeker nieuwsgierig worden hoe het volgende bestaan eruit zal zien en ook wat je daarvoor moet doen en hoe je in het duurzame, eeuwige leven kan komen. Het is onze opgave deze weg te zoeken en te vinden!

Jezus zegt: “Ik ben de weg!” Daarom willen wij ons allereerst met de van Jezus gegeven zin bevatten. Wie is Jezus? Hij is een tweevoudig persoon. Hij is op onze aarde geboren en is daarom ook een normaal mens volgens zijn uiterlijk. Maar hij heeft in zich de goddelijke geest, die de almachtige en heilige God is. Nadat Jezus de verzoekingen van het kwaad, dat wil zeggen van de negatieve eigenschappen overwonnen had, van die hij evenzo als ieder ander mens meester moest worden, kon zijn Godsgeest ook van de mens Jezus helemaal bezit nemen. Dit reinigingproces duurde tot zijn dertigste levensjaar. Bij ons mensen zou je zeggen, dat hij was wedergeboren in de geest. Door de hoogste deemoed, die Jezus had, nam hij zelfs de dood aan het kruis op zich om te bewijzen, dat er een opstanding na de dood volgt en het echte eeuwige leven in het hiernamaals vanaf dan kan beginnen. Zijn overwinning van de dood en van het kwaad wil hij ook aan ons overdragen, om ook ons in het hoogste geestelijke rijk, de hemel, te laten komen.

Deze overdracht van de verlossing aan de mensen begon op Pinksteren! In de Bijbel lezen wij, dat de heilige geest op de discipelen neerdaalde en zij door hem enorm groeiden in inzicht en liefde tot Jezus. Dat maakte het hen mogelijk het woord van God met volmacht door te geven aan de medemensen. Maar niet alleen zij maar ook wij allemaal, die sinds deze Pinksteren geboren werden, ontvingen en ontvangen natuurlijk ook nog nu in ons hart een gedeelte van deze verlossende geest. In het begin is deze goed opgesloten om niet door onwetendheid of boosaardigheid misbruikt te worden. Eerst wanneer de mens zich serieus bemoeit zijn liefde tot de hemelse Vader, tot Jezus, te ontdekken en te verbeteren, dan komt hij uit zijn beschermende omhulsel en dringt in de ziel voor sterking van het leven.

De liefde speelt daarom een bijzonder belangrijke rol in de ontwikkeling van het leven. Het is wel zo, dat niemand zonder liefde is. Maar deze wordt meestal verkeerd ingezet. Materiele dingen zoals geld, roem, leidende positie, hartstochten voor drugs, drinken, seks en bovenmatig eten zijn zulke verkeerde   wegen en zij staan bij vele mensen voorop. De verkeerd gebruikte liefde bezet de hele ziel, die wel voorzien is om het juiste van het valse te onderscheiden, om daarna de opgave van ons aardeleven te volgen, namelijk om het goede te kiezen. Zo kan zich de ziel bevrijden van de sinds de geboorte aanwezige oerzonde.

Zolang de ziel zich in haar verkeerde liefde bevindt, zolang bezet deze haar ziel en hindert haar ware opgave. Die kan niet waargenomen worden. De op aarde levende mens moet zich eerst zelf herkennen hoe hij leeft en wat hij verkeerd doet, dan moet hij zich met een sterke wil ervan bevrijden, opdat in zijn ziel plaats vrijkomt om de juiste, de ware weg te kunnen beginnen. De ware weg baseert op het inzicht dat dit leven op aarde niet alles is, maar dat het echte leven erna begint. Je herinnert zich dat God geest is en Hij ons volgens zijn voorbeeld geschapen heeft – daarom zijn ook wij geestelijke wezens. Ons leven op aarde in ons materieel lichaam is maar tijdelijk en zal door ons benut worden door die op ons afkomende situatie en indrukken te herkennen, namelijk hoe ver wij nog van het ware leven, dat is het geestelijke leven, verwijderd zijn. Wij moeten onze complete wil inzetten om stuk voor stuk de valse liefde in een ware liefde voor God, de hemelse Vader, te veranderen. Hij noemt ons niet voor niets zijn kinderen!

Een klein kind heeft een absoluut vertrouwen in zijn ouders, omdat het weet, dat het zich op hen kan verlaten en dat het alles ontvangt, wat het in het dagelijkse leven nodig heeft. Evenzo moeten wij onze verhouding met de hemelse Vader zien, die toch ook de heilige God en schepper is. Een vol vertrouwen tot hem is van groot belang! Met deze kennis wordt het duidelijk voor ons dat de andere medemensen ook kinderen van God zijn. Zij vechten met dezelfde moeilijkheden als wij zelf. Zij zijn onze broers en zussen. Er bestaan vanzelfsprekend erg grote verschillen in het gedrag, de inzichten en de nog niet ontwikkelde liefde tot de hemelse vader en tot elkaar. Maar door het innerlijke gevecht voor het geestelijke leven wordt iedereen geleid tot geduld, deemoed en zachtmoedigheid. Deze eigenschappen zijn ondergroepen van de liefde. Zonder hen bestaat er geen naastenliefde!

Wij hebben zojuist over de ziel gesproken. Zij heeft haar centrale zit in het hart en van daar verspreidt zij zich door het gehele lichaam. Daarom bevind zich de ware weg in het hart! Uit de ziel, de in het aardse leven het levenscentrum is, moet het vuil eruit gehaald worden om de goddelijke geest als ons doel te kunnen herkennen.

Ieder mens heeft een innerlijk gevoel, wat hij zou moeten doen of beter niet zou moeten doen. Dit gevoel komt vanuit het hart of de ziel. Wij spreken hier van het geweten. Het is de invloed van de Godsvonk. Hij is in begin wel gesloten en kan maar een zwak teken aan de mens afgeven, maar hoe meer de ziel bevrijd is van de valse eigenschappen, des te duidelijker meldt zich de goddelijke geest in ons. Dat neemt zo sterk toe, dat bij een haast compleet gezuiverde ziel de mens in gesprek met de goddelijke geest kan zijn. Het spreekt voor zich zelf, dat deze vragen en antwoorden zich op het eeuwige, geestelijke bereik betrekken en niet op een materieel welzijn. Als een voorbeeld zei de gezondheid genoemd. Gedurende zijn aardse leven heeft Jezus eerst altijd de ziel van een zieke genezen, omdat hij wist, dat een gezonde, van vuil bevrijde ziel de basis is en de sterkte heeft een lichaam gezond te houden. Wanneer wij deze zin omdraaien, dan zegt dit, dat er vele ziekten bestaan, omdat de ziel van de mens onrein is en zo een ziekte ontstaan kan of ten minst erg moeilijk te genezen is.

Komen wij nu terug op de in het begin gestelde vraag: “Hoe vinden wij deze weg?’ De basis van al het leven is liefde. De schepper heeft alle wezens door zijn liefde geschapen. Het woord ‘leven’ kan daarom door het woord ‘liefde’ vervangen worden. Onze opgave is het in ons te zoeken, wat geen ware liefde is en dat dan verwijderen. Op die manier maken wij in onze ziel, ons hart, plaats, opdat wij dan de stem van de Godsvonk duidelijk kunnen waarnemen. Liefde vraagt om vertrouwen en bijzonder tot de hemelse Vader, tot God. Vertrouwen vraagt er ook om God te laten handelen, zonder ons steeds als een betweter te benemen om die van ons zelf gewenste weg aan te geven.

Waar leidt de weg naartoe? In het kort: naar de hemel! Die is het geestelijke rijk, waar wij voor altijd zullen leven. Als een kind van de almachtige en heilige God, die voor ons een echte Vader is, zullen wij vele opgaven krijgen die ons verder ontwikkelen en die ons met veel vreugde vervullen. Een eeuwige rust kan alleen zo worden verstaan, dat wij innerlijk nooit meer zenuwachtig worden, maar met veel rust onze beslissingen uitvoeren. Rust als ‘luiheid’ bestaat er in de hemel niet.
Liefde en vertrouwen tot Jezus is de ware weg, die ons in de levende hemel leidt.

G.K. Holderer – 07.2017

===============

Der Weg ins wahre Leben – G.K. Holderer

Der Weg ins wahre Leben
– G.K. Holderer –

Ausgehend von der wertvollen Aussage Jesu: “Ich bin der Weg, die Wahrheit und das Leben. Niemand kommt zum Vater, denn durch mich!”, wollen wir diesen wahren Weg näher betrachten.
Was für ein Weg ist das? Wie finden wir diesen Weg? Wohin führt dieser Weg? Gehen wir der Reihe nach diese Fragen an.

Wir Menschen haben die Möglichkeit erhalten in einem zeitlich begrenzten materiellen Leben auf der Erde Erkenntnisse zu sammeln, warum wir überhaupt hier leben und wie unsere Zukunft aussehen wird. Wenn wir begriffen haben, dass auf dieses zeitlich begrenzte Leben, das kaum länger als 90 Jahre währt, ein dauerhaftes Leben folgen wird, dann dürften wir zumindest neugierig werden, wie das spätere Dasein aussehen wird und vor allem was man hierfür tun muss und wie man ins dauerhafte Leben gelangt. Es ist unsere Aufgabe diesen Weg zu suchen und zu finden!

Jesus sagte: “Ich bin der Weg!” Darum wollen wir uns zunächst mit Jesus’ Aussage beschäftigen. Wer ist Jesus? Er ist eine zweifache Person. Er ist auf unserer Erde geboren und ist daher seinem Äusseren zufolge ein normaler Mensch. Aber er hat in seinem Inneren den göttlichen Geist, welcher der allmächtige und heilige Gott selbst ist. Nachdem Jesus die Anfechtungen des Bösen, also die negativen Eigenschaften, die er genauso wie jeder andere Mensch überwinden musste, besiegt hatte, konnte sein Gottesgeist komplett auch vom Menschen Jesus Besitz ergreifen. Bei uns Menschen würde man sagen, er wurde wiedergeboren im Geist. Durch die höchste Demut, die Jesus hatte, nahm er sogar den Tod am Kreuz auf sich, um so zu beweisen, dass eine Auferstehung vom Tod folgt und das echte, das ewige Leben nun im geistigen Jenseits beginnt. Seine Überwindung des Todes und des Bösen will er auf uns alle übertragen, damit auch wir in den höchsten geistigen Bereich, den Himmel, kommen können.

Die Übertragung der Erlösung auf den Menschen hat an Pfingsten begonnen. In der Bibel lesen wir, dass der heilige Geist die Jünger erfasste und sie durch ihn in geistiger Kenntnis und Liebe zu Jesus gewaltig wuchsen. Dies ermöglichte ihnen das Wort Gottes mit Vollmacht weiter zu verbreiten. Aber nicht nur sie sondern auch wir alle, die seit diesem Pfingsten geboren wurden, bekamen und bekommen natürlich noch immer ein Stück dieses erlösenden Geistes in unser Herz gelegt. Anfangs ist dieser gut verkapselt um nicht durch Unkenntnis oder Böswilligkeit missbraucht zu werden. Erst wenn der Mensch sich ernsthaft bemüht seine Liebe zum himmlichen Vater, zu Jesus, zu entdecken und zu verbessern, dann löst er sich aus seiner schützenden Umhüllung und dringt in die Seele ein zur Stärkung des Lebens.
Die Liebe spielt also eine besonders wichtige Rolle in der Entwicklung des Lebens. Es ist wohl so, dass niemand ohne Liebe ist. Jedoch wird diese zumeist verkehrt eingesetzt. Materielle Dinge wie Geld, Ruhm, leitende Position, Leidenschaften für Drogen, Trinken, Sex und übermässiges Essen sind solche Irrwege, die der Mensch bevorzugt. Diese falsch eingesetzte Liebe besetzt die ganze Seele, die doch zuständig ist, das Richtige vom Falschen zu unterscheiden um dann der Aufgabe unseres Erdenlebens zu folgen, nämlich das Gute zu wählen, damit die Seele sich befreien kann von der mit der Geburt vererbten Ursünde.

Solange die Seele sich in falscher Liebe befindet, solange besetzt diese ihre Seele und verhindert ihre wahre Aufgabe. Diese kann nicht wahrgenommen werden. Der auf der Erde lebende Mensch muss sich selbst zunächst erkennen, wie er lebt und was er falsch macht, dann mit starkem Willen sich davon befreien, sodass in seiner Seele Platz frei kommt um den richtigen, den wahren Weg zu beginnen. Der wahre Weg basiert auf der Erkenntnis, dass dieses Leben auf der Erde nicht alles ist, sondern dass das echte Leben erst danach beginnt. Erinnern wir uns, dass Gott Geist ist und er uns nach seinem Vorbild erschaffen hat – also sind auch wir als geistige Wesen erschaffen worden. Unser Leben auf der Erde in unserem materiellen Körper ist nur zeitlich und soll von uns benutzt werden durch die auf uns zukommenden Situationen und Eindrücke zu erkennen wie weit wir vom wahren Leben, nämlich dem geistigen Leben, entfernt sind. Wir müssen unseren ganzen Willen einsetzen um Stück für Stück die falsche Liebe in die wahre Liebe für Gott, der unser himmlicher Vater ist, zu verändern. Nicht umsonst nennt er uns Kinder!

Ein kleines Kind hat ein absolutes Vertrauen zu seinen Eltern, weil es weiss, dass es sich auf sie verlassen kann und dass es alles, was es zum täglichen Leben benötigt, erhält. Genauso müssen wir unser Verhältnis zum himmlichen Vater, der ja auch der heilige Gott und Schöpfer ist, sehen. Volles Vertrauen zu ihm ist besonders wichtig! Mit diesem Wissen leuchtet uns dann auch ein, dass die anderen Menschen auch Kinder von Gott sind, sie kämpfen mit den gleichen Schwierigkeiten wie wir selbst. Sie sind unsere Geschwister. Natürlich gibt es riesengrosse Unterschiede im Verhalten, Wissen und der noch nicht entwickelten wahren Liebe zum himmlichen Vater und zueinander. Aber durch den inneren Kampf ums geistige Leben werden wir zu Geduld, Demut und Sanftmut geführt. Diese Eigenschaften sind Untergruppen der Liebe. Ohne sie besteht keine Nächstenliebe!

Wir haben jetzt von der Seele gesprochen. Sie hat ihren zentralen Sitz im Herzen, von dort dehnt sie sich aus in den ganzen Körper. Daher befindet sich der wahre Weg im Herzen! Aus der Seele, die im Erdenleben das Lebenszentrum ist, muss der Unrat weggeschafft werden um dadurch den göttlichen Geist als Ziel unserer Bemühungen zu erkennen.
Jeder Mensch hat ein inneres Gefühl, war er tun sollte oder besser lassen sollte. Dieses Gefühl kommt aus dem Herzen oder auch der Seele. Wir sprechen da auch vom Gewissen. Dies ist der Einfluss des Gottesfunken. Er ist anfangs wohl verschlossen und kann nur ein schwaches Zeichen dem Menschen geben, aber je mehr die Seele von den falschen Leidenschaften befreit wird, desto deutlicher meldet sich der göttliche Geist in uns. Dies schreitet soweit voran, dass bei einer fast ganz gereinigten Seele der Mensch im Gespräch mit dem göttlichen Geist sein kann. Es versteht sich von selbst, dass diese Fragen und Antworten sich auf das ewige Sein, also auf den geistigen Bereich beziehen müssen und nicht auf materiellen Wohlstand. Als Beispiel sei die Gesundheit angeführt. Während seines Erdenlebens hat Jesus stets zunächst die Seele der Kranken geheilt, weil er wusste, dass eine gesunde, vom Unrat befreite Seele, die Basis für einen gesunden Körper ist. Wenn wir diese Erkenntnis umdrehen, sagt dies aus, dass viele Krankheiten darauf beruhen, dass die Seele des Menschen verschmutzt ist und so eine Krankheit entsteht oder nur schwer heilbar ist.

Kommen wir auf die anfangs gestellte Frage: “Wie finden wir diesen Weg?” zurück. Die Grundlage allen Lebens ist die Liebe. Der Schöpfer hat alle Wesen durch seine Liebe erschaffen. Das Wort ‘Leben’ kann daher mit dem Wort ‘Liebe’ getauscht werden. Wir müssen in uns suchen, welche Eigenschaften nicht der Liebe entsprechen und dann ausmerzen. Auf diese Weise schaffen wir in unserer Seele, im Herzen, Platz um die Stimme des Geistfunkens deutlich zu vernehmen. Liebe fragt um Vertrauen und ganz besonders zum himmlichen Vater, zu Gott. Vertrauen fragt auch darum, Gott handeln zu lassen ohne dass wir ständig als Besserwisser auftreten, indem wir den von uns gewünschten Weg vortragen.

Wohin führt der Weg? Ganz kurz geantwortet: In den Himmel! Dieser ist das geistige Reich, in dem wir für immer leben werden. Als Kinder des allmächtigen, heiligen Gottes, der für uns ein echter Vater ist, werden wir sehr viele Aufgaben erhalten, die uns weiter entwickeln werden und die uns mit viel Freude erfüllen werden. Ewige Ruhe kann nur so verstanden werden, dass wir uns innerlich nicht aufregen werden, sondern eben mit viel Ruhe unsere Entscheidungen treffen und ausführen. Ruhe als Faulheit gibt es “drüben ” nicht!
Liebe und Vertrauen zu Jesus ist der wahre Weg, der uns zum lebendigen Himmel führt!

=================

G.K. Holderer – 06.2017

De levensbasis van de mens – G.K. Holderer

De levensbasis van de mens
– G.K. Holderer –

Sinds wanneer leven er mensen op de aarde en hoe zijn ze ontstaan? Allereerst moeten wij weten dat achter al het leven een schepper staat en dat hij zijn schepselen in een volkomen orde en ook volgorde liet ontstaan en groeien. Wij willen ons in deze tekst tot de materiele wereld en in het bijzonder tot onze aarde beperken.

Wij weten van de veelvoudige tijdperken zoals de ijstijd en de steentijd. In ieder van hen moest de aardoppervlakte zo veranderd worden dat een steeds hoger leven door het bijbehorende groeiproces – in begin van planten – mogelijk werd. Vervolgens gold hetzelfde bij het schapen van bepaalde grote dieren die de grond bemestten en daardoor verbeterden. Het hoogste levend wezen is de mens. Voor hem werd de materiele wereld voorbereid en opgebouwd.

Voordat wij de mens nader bekijken, is het nodig eerst een blik te werpen op planten en dieren. Allebei bestaan ze uit een zichtbaar lichaam en een innerlijke ziel. Het leven van hen bevindt zich in de ziel. Die houdt het materiele lichaam in leven. Scheidt zich de ziel van het lichaam, dan is het leven in de plant en het dier verdwenen. De zielen zijn met een instinkt voorzien, afgestemd op de aard van plant of dier. Bij een zoogdier zoals een rund of een tijger, is het instinkt het hoogst gevormd. Maar dieren hebben geen geest. Die is alleen in de mens!

In de bijbel lezen wij dat God met Adam de eerste mens heeft geschapen en dat was voor minder dan 7000 jaar. Maar de archeologen hebben skeletten gevonden, die meer dan 50 000 jaar oud moeten zijn. Het verschil kan makkelijk uitgelegd worden: in verloop van de ontwikkeling van een plant tot een dier en uiteindelijk tot de mens was het noodzakelijk een voorloper van de geestelijke mens te hebben. Hiertoe horen de gevonden skeletten. Deze vroege mensen hadden alleen een lichaam en een ziel met een instinkt en dat zonder geest. Je zou deze voormensen ook als diermensen kunnen benoemen.

De eerste mensen met geest, ziel en lichaam zijn in der daad degenen, die in de bijbel als Adam en Eva beschreven worden. Geest mag natuurlijk niet met verstand verwisseld worden. De apostel Johannes zegt het duidelijk met de woorden dat God geest is en Mozes zegt nog, dat wij naar het voorbeeld van God geschapen zijn, dat betekend dat wij van begin aan geestmensen waren en nog zijn.

God de schepper en Vader van de mensen heeft de mens echt niet voor een kort leven op aarde geschapen, maar voor een eeuwig geestelijk leven, dat na het aardse begint. Om ons mensen en kinderen van God een leven op aarde mogelijk te maken, waar de geestelijke voorwaarden geleerd kunnen worden, was deze eindeloze voorbereiding van de materiele aarde nodig.

Er komen nu vragen naar voren, zo als: waarom is het aardse leven zo moeizaam om ons bekwaam te maken voor het geestelijke rijk en de hemel? Wij kennen de val van Lucifer, die het aardse leven door zijn ongehoorzaamheid tegenover de schepper nodig maakte. Zonder zijn val zou dat alles niet nodig gewest zijn.

Komen wij nu tot Adam en Eva, de eerste mensen met een van God gegeven geest. De geest gaf hen een directe verbinding met God, de schepper. Hun zielen hadden niet meer een instinkt zoals hun voorlopers maar een verstand. Daardoor konden zij de op hun afkomende situaties beoordelen en op de juiste manier handelen. Omdat zij de eerste mensen op die basis waren, hadden hun zielen geen geërfde slechte eigenschappen. Het was alleen nodig in hun leven naar de innerlijke geest te luisteren en al gauw zou alles volgens de goddelijke orde gedaan werden.

Hun geest was zo sterk met hun ziel verbonden dat zij een onmiddelbare kennis over planten en dieren hadden, b.v. waarom er deze bestaan: planten en fruit om te eten, dieren als steun voor de mens. Ook tijger en leeuwen waren aan de sterke wil van de mens onderdaan. Zij waren tam tegenover de mens. Dat is het, wat het paradijs genoemd werd. Het paradijs is immers een innerlijke instelling en kracht van de mens, die zich naar buiten toe op zijn omgeving bekend maakt.

Op orde achten betekend gehoorzaam zijn! Maar precies daarin werden Adam en Eva zwak. Het wonderbare paradijs was niet genoeg voor hen. Zij vergaten dat zij nog in een proeftijd stonden die hun zielen moest vestigen, om nooit meer tegen Gods orde te zondigen en altijd zijn orde als het beste te erkennen en daarna te handelen. Dat lukte hen niet! Zij werden ongehoorzaam met het gevolg dat hun zoon Kaïn geboren werd.

Hun ongehoorzaamheid moest hun zoon Kaïn erven en dat met verschrikkelijke gevolgen. Als zij binnen de goddelijke orde gebleven zouden zijn, dan zouden zij door God gezegend zijn, dat een voortdurende stabiliteit van de gehoorzaamheid en het begrijpen van de goddelijke orde gebracht zou hebben. Alle later door Adam en Eva geboren kinderen zouden zonder negatieve eigen-schappen gebleven zijn en dat zou ook voor alle verdere nakomelingen gegolden hebben. De soevereiniteit van de mens op al het leven op aarde zou gebleven zijn, het paradijs zou ook voor ons nog aanwezig zijn.

Maar door de geboorte van Kaïn werd alles anders – het paradijs was er niet meer. Alle mensen waren de steeds stijgende slechte eigenschappen onderworpen. Iedereen erfde deze van zijn ouders. Ongehoorzaam zijn leidt tot hoogmoed en egoïsme. In deze beide negatieve eigenschappen zijn alle verdere zonden ingesloten.

Het ergste is, dat de mens na zijn afleven op aarde niet direct in de geestelijke hemel kon komen, omdat hij niet rein was. In het hiernamaals moest het proces van reiniging doorgaan en ook de zege over Lucifer was er nog niet. Daarom kon nog niemand in de hoogste hemel opgenomen worden. Eerst moest iemand op aarde een totaal zuiver leven leiden, dat helemaal op gehoorzaamheid in God gericht was!

De verkeerde houding van onze stamouders is gebaseerd op de vrijheid van de wil die ieder mens moet hebben. Een dwang, die God de mensen zou opgelegd hebben, zou ons tot robots gemaakt hebben, die niet anders konden reageren als een voorgeprogrammeerde automaat. Dat zouden geen kinderen van God zijn. Maar met de gegeven vrijheid is een diepe val maar ook het bereiken van een grote hoogte mogelijk.

Door de verkeerde houding van Adam en Eva besloot de liefde van God zelf als een mens te leven om de nog ontbrekende overwinning over Lucifer te volbrengen. Jezus van Nazareth was deze mensenzoon. Zijn ziel en zijn lichaam waren zoals bij ieder mens, terwijl zijn geest de goddelijke geest zelf was. Ziel en lichaam moest hij aan de geest onderschikken om het gebod van de absolute gehoorzaamheid te bereiken. Wanneer wij hierbij aan ons zelf denken, dan weten wij, hoe moeilijk dit ondernemen is. Zijn grote deemoed verklaart ons, waarom hij ook nog zijn dood aan het kruis op zich nam. De mensen – met de druk van Lucifer op de achtergrond – wilden hem doden. Daarom nam hij de van hen gevorderde gewelddadige dood aan.

Gehoorzaamheid en deemoed liggen dicht bij elkaar. Door het deemoedige aannemen van deze goddelijke opgave nam ook de liefde in Jezus toe, namelijk voor de hemelse Vader en ook voor zijn medemensen. Alleen daardoor kon hij zijn geweldige opgave volbrengen.

Jezus verloste na zijn dood in het hiernamaals vele zielen en na zijn opstanding verscheen hij aan zijn gelovigen (voor Pinksteren), voordat hij direct in de hemel opsteeg om zich voor altijd met de Godsgeest te verenigen. Als wij hem zullen zien, dan kijken wij direct in het aangezicht van God, die vervolgens een zichtbare Vader werd.

De verlossende kracht die door zijn daad vrij werd, heeft hij onmiddelbaar aan zijn discipelen op Pinksteren doorgegeven. Maar ook wij mensen, die sinds die tijd geboren werden, hebben in zich vanaf de geboorte die kern van de verlossende kracht. Maar het zal niet juist zijn er van uit te gaan, dat wij door zijn verlossingsdaad vrij van schulden zijn. Jezus heeft wel de weg naar de hemel vrij gemaakt, hij heeft een brug daar naartoe gebouwd. Wij mogen hem op zijn pad volgen en zullen dan ook de hemel bereiken. Jezus heeft niet voor niets gezegd: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven! Niemand komt tot de Vader dan alleen door mij.”

Wij moeten in zijn waarheid leven en dat is de liefde tot de hemelse Vader en tot onze medemensen. De verantwoording ligt bij ons zelf. Zonder dat wij zelf in de liefde werkzaam worden, kunnen wij de ware weg tot het leven niet vinden. De barmhartigheid van de hemelse Vader geeft ons hulp bij het zoeken van de weg.

=====================

G.K. Holderer, maart 2017.

Het machtscentrum van God – G.K. Holderer

Het machtscentrum van God
– G.K. Holderer –

Van Johannes, de discipel van Jezus, weten wij dat Jezus vaak gezegd heeft dat God geest is. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Geest is een zeer hoge vorm van energie, die zich als leven manifesteert. Deze goddelijke geest is overal aanwezig in de grote oneindigheid van de ruimte. Daarom bestaat er geen enkele plaats waar zijn aanwezigheid niet voorkomt. Deze alomvattende geest heeft ook een machtscentrum van waaruit alles wordt bestuurd. Dit machtscentrum is niets anders dan zijn liefde! En het is haast onvoorstelbaar, maar – deze liefde is onze Vader! Want zij heeft alle levende wezen uit zichzelf geplaatst en de mogelijkheid gegeven zich te ontwikkelen. Daarom is de liefde de Vader van ons mensen.

Zoals in God de Geest het leven bezit, zo is dat ook bij ons mensen het geval. Onze innerlijke geest is ons leven. Maar het lichaam is ons voor een beperkte tijd gegeven en wordt door zijn geest in leven gehouden. De ziel, die de verbindende schakel is tussen geest en lichaam, behoort eigenlijk tot de geest. Zij is nog onrein en bezit zowel goede maar ook vele slechte eigenschappen. Daarom is onze ziel bij de geboorte nog gescheiden van onze geest. Het is haar taak die oorspronkelijke vaste verbinding met haar geest weer te herstellen. Hiervoor dienen de uiterlijke gebeurtenissen en situaties, die op de mens af komen en op hem inwerken.

In het besef dat wij zelf onze geest zijn en dat ons lichaam maar een tijdelijke gave is, zal en moet men zijn bestaan op aarde op een serieuzere manier vorm geven dan door alleen maar uiterlijke lusten en verlokkingen te volgen. Deze zijn namelijk alleen toegelaten door God, onze Vader, om ons mensen erop opmerkzaam te maken dat deze negatieve eigenschappen moeten worden overwonnen, omdat zij ons prikkelen om eraan toe te geven.

Laten wij onze aandacht nu richten op de liefde van de hemelse Vader, die het machtscentrum van de Godheid is. Zij heeft ons als Jezus in zijn leven op aarde meegedeeld dat wij haar kinderen zijn, omdat zij immers de Vader is. Eens zullen wij in dit machtscentrum, dat de liefde is, worden opgenomen. Iedereen kan zich er een voorstelling van maken wat dit allemaal voor groots betekent. Maar we mogen niet vergeten dat wij geschapen wezens zijn, die God, die ongeschapen is, nooit kunnen benaderen. Dat was de fout van Lucifer, die van mening was dat hij gelijkwaardig was geworden aan God.

Voorlopig zijn wij kleine mensen, die dagelijks, soms zelfs elk uur, voor taken worden gesteld die een nauwe verbinding met Jezus noodzakelijk maakt om ze liefdevol uit te voeren. Als Gods kinderen in wording hebben wij een opvoeding in een vrije meningsvorming nodig en de vaste wil om de juiste, op de geest gerichte, beslissing te nemen. Desondanks zouden wij ons doel niet bereiken als de Vader ons niet de helpende hand zou reiken. In de praktijk is zijn hulp aanwezig in het hart, aanvankelijk via het geweten en later in de vorm van duidelijke aanwijzingen in ons gedachtenleven, die de juiste weg laten zien.

Jezus zegt ons vaak: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij!” In de mens Jezus woonde – en woont natuurlijk nog steeds – de goddelijke Geest. Daarom is hij de ware weg naar het leven! Hij heeft ons voorgeleefd dat je een zuiver, deemoedig en liefdevol leven in het lichaam kunt leiden. Hij liet zich bovendien nog kruisigen en dat gebeurde om voor ons een eeuwig leven in de geest mogelijk te maken, maar ook als een teken voor Lucifer dat hij als geschapen wezen niet over goddelijke kracht beschikte. Alleen de eeuwige liefde heeft tot nu toe verhinderd dat Lucifer de dood vond.

De afscheiding van God veroorzaakt dat men van goddelijke levensenergie verstoken blijft. Waar deze voeding ontbreekt, vindt een dergelijk geschapen wezen onherroepelijk de dood. God als de liefde en vandaar ook als Vader houdt van al zijn schepselen en zal allen weer op de juiste weg leiden opdat zij eens in zijn geestelijk rijk aankomen. Tijd speelt daarbij geen rol; belangrijk is alleen het doel. Voor het terugbrengen van de gevallen wezens heeft God het tijdelijke leven in de materie geschapen, zodat elk men de kennis kan verzamelen die hem duidelijk maakt wat de zin van het aardse leven is. Jezus heeft dat in deze bewoordingen samengevat: “Heb God boven alles lief en je naaste als jezelf!” Wij allen zijn op weg naar het hemelrijk. Maar doordat de gaven en eigenschappen verschillend over de mensen zijn verdeeld, moeten wij respect hebben voor alle medemensen, want iedereen moet een iets  andere ontwikkeling volgen. Het doel is echter hetzelfde!

 G.K. Holderer, februari 2017.

====================

Der heilige Gott in Jesus Christus – G.K.Holderer

Der heilige Gott in Jesus Christus
~ G.K. Holderer – Februar 2016

Lesen wir zunächst im Evangelium Johannes, ab Kapitel 1 Vers 1:
“Im Anfang war das Wort und das Wort war bei Gott und Gott war das Wort. (weiter ab V.14) Und das Wort ward Fleisch und wohnte unter uns und wir sahen seine Herrlichkeit als des eingeborenen Sohnes vom Vater.” 

Hier wird uns mitgeteilt, dass das Wort Gott selbst ist und Fleisch annahm im Menschen Jesus. Dadurch sehen wir die Herrlichkeit Gottes im Sohn, der ins Fleisch eingeboren wurde. Was bedeutet das für uns Menschen? Der sichtbare Mensch Jesus ist der Sohn Gottes. Dazu muss man auch seine Seele zählen, denn diese musste er zusammen mit seinem Fleisch seinem innewohnenden Geist untertan machen. Dies wird als die Wiedergeburt im Geist beschrieben. Und der Geist in Jesus? Dies ist Gott selbst, wie es beim Apostel Johannes deutlich gesagt wird. Der Mensch Jesus erreichte diesen Zusammenschluss der Seele mit seinem Geist, also die Wiedergeburt, bevor er mit seiner Lehre begann.

Jesus war als sichtbarer Mensch der Gottes- und Menschensohn, aber sein Geist war viel mehr, nämlich der heilige Gott selbst. Gott konnte ja unmöglich in seiner Allmacht als Schöpfer zur Erde kommen, das hätte kein Mensch überlebt, sondern er kam in seiner Liebe als Vater, umkleidet als der Mensch Jesus.

Durch seinen Kreuzestod wurde zusätzlich zur Seele auch sein Körper vergeistigt. Dies erkennen wir unter anderem in der Begegnung der Maria Magdalena direkt am Auferstehungstag. Vor ihr stand der vergeistigte himmliche Vater, den sie nicht anfassen durfte. Im geistigen Reich ist alles Geist, da gibt es keine Materie mehr. Gott hat sich durch sein Leben als Mensch auf der Erde einen für uns sichtbaren Geistkörper geschaffen, der uns den himmlichen Vater stets sichtbar macht. Er hat sich viele Male nach seiner Auferstehung bis zu seiner Himmelfahrt in diesem Geistkörper gezeigt. Wir können es auch so ausdrücken: der ehemalige Menschensohn Jesus ist durch seinen innewohnenden Gottesgeist zu unserem sichtbaren heiligen himmlichen Vater geworden.

Betrachten wir dazu das Glaubensbekenntnis: “ich glaube an Jesus Christus, seinen eingeborenen Sohn … aufgefahren gen Himmel, sitzend zur Rechten des allmächtigen Vaters…”. Wir erkennen aus der heiligen Schrift, dass der auferstandene Jesus und Gott identisch sind. Wie kann er dann neben sich selbst sitzen? Haben hier die alten Kirchenväter den Text nicht gut verstanden oder warum haben sie Gott dreigeteilt angegeben? “Gott hat den Menschen nach seinem Vorbild erschaffen”! Der Mensch ist eine Einheit. Da kann Gott doch keine ‘dreigeteilte Einheit’ sein!

Im Glaubensbekenntnis wird zum heiligen Geist nichts weiter gesagt. Hier darf man wiederholen, dass Gott Geist ist. Auch hier erkennen wir: er ist ein einiger Gott, aber kein dreigeteilter Gott. An einen Gott als himmlichen Vater kann ich Vertrauen haben, ich kann mich an ihn wenden, ohne nachdenken zu müssen, welchen der Drei ich fragend anbeten soll.

Is de oerknal nu echt het begin van ruimte en tijd? – Hendrik Klaassens

IS DE OERKNAL NU ECHT HET BEGIN VAN RUIMTE EN TIJD?

Volgens onze geleerden is de ‘oerknal’ het begin van ruimte en tijd – tenminste: zoals wij die kennen. Ons heelal zou zich hebben ontwikkeld uit één oeratoom. Natuurwetenschappers weten echter niet of er al iets bestond vòòr die reusachtige explosie. Wat dat betreft zitten ze met de handen in het haar. Het is immers volslagen onlogisch om te denken dat een compleet heelal uit het niets te voorschijn is geplopt. Gekker kunnen we het niet maken. Maar hoe is die oerknal dan wel te verklaren?

Omdat de natuurwetenschap geen oplossing heeft voor dit probleem, lijkt het me slim het heelal vanuit een heel ander gezichtspunt te benaderen. Is materie in de kern immers niet verdichte geest? Is de kosmos niet bezield en in feite één groot geheel? Als we die gedachtegang volgen en als vertrekpunt de visies van verschillende christelijke mystici – waaronder Jakob Lorber en Emanuel Swedenborg – op de kosmos nemen, is het mogelijk de oerknal te verklaren.

Het christendom, maar ook veel andere religies, kent de gedachte van een oorspronkelijke, zuivere geestelijke wereld, waarin een harmonieus evenwicht heerst van allerlei geestelijke wezens en krachten. Na verloop van tijd wordt die harmonie verstoord door het optreden van een tegenpool van God. Gesteund door zijn aanhang ontketent hij een revolutie, die eindigt met de nederlaag van Gods opponent.

In de christelijke theologie is dat Satan. Hij wordt uit de hemel verbannen. Samen met zijn aanhang belandt hij op aarde. Dat is voor hem een ballingsoord. Het betekent geen definitieve, uiteindelijke vernietiging van zijn macht, maar eerder een inperking ervan: voortaan mag hij heersen over de wereld van de materie. Binnen dat concept zijn wij de geestelijke wezens of engelen die samen met hem tegen God in opstand zijn gekomen. Als gevolg van die opstandigheid zijn wij beland in de materiële wereld, waarin het bestaan veel zwaarder, stugger en moeizamer is dan in de lichte geestelijke wereld waar we in een ver verleden uit zijn getuimeld. Maar die wereld is nu wel ons thuis, de vloer van waaraf we weer op moeten klimmen naar de hemel. Stapje voor stapje, tastend in het donker van een halfvijandige wereld, moeten we onze weg terug zien te vinden naar God.

Het is deze wereld, de wereld van de verdichte geest, die God voor ons heeft geschapen als een ladder naar de hemel. En de oerknal is het moment waarop de gevallen geesten – waaronder wijzelf – uit de geestelijke wereld in de harde werkelijkheid van het materiële bestaan terecht zijn gekomen.

Wij zijn niet de enige gevallen engelen. Er zijn heel veel andere planeten waarop de andere gevallen engelen wonen. En omdat ook zij in feite de geest hebben van een engel, zullen ze ook qua uiterlijk op ons lijken, al zijn er vast ook wel verschillen, afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse zoals het klimaat, de zwaartekracht en de samenstelling van de atmosfeer. Maar het zijn wel degelijk onze broers en zussen. En omdat wij in een lang verleden samen met hen in de hemel hebben gewoond, zullen we hen ooit weer ontmoeten. Misschien duurt dat nog een hele tijd, maar het is ook mogelijk dat we er binnenkort in slagen om intensieve contacten  met andere beschavingen aan te gaan,  zodat we onze verre verwanten zullen ontmoeten en herkennen. De oorsprong in de hemel en de val in de materie hebben zij met ons gemeen. Maar ik ben er zeker van dat ook zij voorbestemd zijn om terug te keren naar de geestelijke wereld.

Dat roept bijna automatisch de vraag op wat er met de materiële wereld zal gebeuren als alle geesten hun lessen van liefde en deemoed hebben geleerd en naar de oorspronkelijke, zuivere wereld van de geest zijn teruggekeerd. Ik denk dat daarmee hetzelfde gebeurt als met een school waaruit ook de laatste leerling is vertrokken, zonder dat er kans is dat er nieuwe leerlingen op komen dagen: die school wordt afgebroken.

Dat is dan ook wat er volgens deze mystici zal gebeuren in een tijd die zò ver van ons verwijderd is dat we ons daar nog geen voorstelling van kunnen maken: de materiële wereld zal geleidelijk oplossen, verdampen en vervagen, totdat ook de laatste ster is gedoofd en alle werelden in een geestelijke bestaansvorm zijn overgegaan.

Wat met de oerknal begon, is dan opgegaan in het Licht. Omdat wij in de kern geestelijke wezens zijn met een eeuwig bestaan, zullen we dat meemaken. En we zullen dan lachen om de wetenschappers die in alle ernst dachten dat de wereld met een reusachtige dreun begon, zomaar, uit het niets – als er dan tenminste nog iemand is die zich daar druk over maakt, wat nog veel aannemelijker is.

Hendrik Klaassens 

pillars_of_creation_space_stars_galaxy_1920x1080_hd-wallpaper-1660339

Kerstfeest – Theo Midden

KERSTFEEST
Ontvangt de blijde boodschap van de Engel Gabriël.

De geboorte van de Verlosser op deze aarde
jouw wedergeboorte in een nieuwe wereld
een gunst geschonken aan Maria:
de Messias en jou samen te brengen
jij opnieuw geschapen en worden als Hij.

Gods besluiten: zijn Heilige wil
nieuw beginnen met het Licht en zijn Woord
Immanuël verlost jou uit de greep van de sterken.
Zijn uitnodiging: jou opnemen in zijn Zoon
een wereld samen met de Schepper God
je naasten en de armen in “Bethlehem”.

Versta de tekenen over de komst van de Verlosser( Micha5); de ster die stil blijft staan nabij Bethlehem!
Een woestijnachtige omgeving, géén herberg, niets!
Slechts een grot in een rotsachtig gebergte,
een noodstal voor herders met stro en hooi.
In` deze` nieuwe wereld wil Jezus worden geboren.

Jij viert het geboortefeest van de Messias;
vier ook jouw herboren zijn in Christus
bij de kribbe, met de engelen,  de herders en de
sterrenkundigen, en ontvang met hen de zegenrijke
geschenken: Uw Wil, Uw Woord, Uw Liefde;
zing met hen van harte ‘gloria in excelcis Deo’

DRIE STERRENKUNDIGEN

Een bijzondere ster te volgen met een hemels Licht en geroepen door een bijzonder teken van de Heer! Deze ster zal blijven stilstaan op een plaats waar zij de Scepter van het nieuwe Israëlisch volk, de Koning der Koningen zullen vinden!
(Zie Numeri: 24,17 of Micha 5. )

Zij stellen zich voor als Casper, Melchior en Balthazar.  Een Romeinse hoofdman Cornelius die in verband met de volkstelling bij de grot komt en door het Licht van het Kindje zo geraak is, dat hij besluit de familie te beschermen en voor de veiligheid de drie sterrenkundigen te verhoren. Zij vertellen hem over de Ster die door hun God is voorspeld en dat zij op de plaats waar de ster stil blijft staan hun Verlosser en de Koning der Koningen zullen vinden. Door hun God daartoe aangezet wensen zij het Kindje hun hulde te betuigen met hun ´zegenrijke geschenken´.

Wie zijn deze bijzondere mensen en waartoe zijn zij geroepen? Binnen gekomen vallen zij in aanbidding neer, wel een uur lang! Zij richten zich langzaam op, knielend richten zij hun gezichten, nat van tranen, omhoog en hun blikken op de Heer slaand, op de eeuwige Schepper.

Nu wordt duidelijk wat ze zeggen tegen het Kindje, hun Heer. Belangrijk is, wie zij eigenlijk vertegenwoordigen en hun levenswijze. Bijzonder is ook dat zij vertegenwoordigd worden door een Geest!

CASPER wordt door ADAM’s Geest geleid. Casper spreekt: `God zij geëerd, aan Hem zij lof gebracht; Hij zij geprezen, Hosannah, Hosannah voor God, de Drie-enige van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.’
Hij geeft onder veel eerbetoon zijn fijnste wierook aan Maria, zeggende: ‘Moeder, aanvaard dit als een simpele uiterlijke aflossing van wat elk denkend wezen, uit de grond van zijn hart, eeuwig verschuldigd is aan zijn almachtige Schepper!’

MELCHIOR was een Moor en door de Geest van KAÏN geleid. Hij reikt een zak met zuiver goud gevuld aan Maria. Melchior nu, de offerende wijze, zegt: ‘aan U, Heer der eeuwige Heerlijkheid, breng ik een nietig offer, iets wat de Koning der Geesten rechtens toekomt van de mens op aarde! Aanvaard het, o Moeder, Gij die hebt gebaard Degene, wiens Naam in der eeuwigheid geen engelentong in staat zal zijn uit te spreken’.

BALTHAZAR zegt: ‘In mijn gezelschap is ABRAHAMS Geest. Ik heet Balthazar en bied U hierbij aan wat het Kindje der Kinderen toekomt: een buidel met kostbare specerij, goud en myrrhe. Aanvaard het, Moeder van alle genaden. Een beter en waardiger offer is geborgen in mijn hart: het is mijn Liefde, die eeuwig een waarachtig offer aan dit Kindje zal zijn!’

Om de betekenis van deze bijzondere uitnodiging aan deze drie genodigden, na de geboorte van de Verlosser, geleid door de wonderlijke ster en buiten de stad Bethlehem in een afgelegen grot die als een stal diende, een plaats te kunnen geven, is het advies, de levensweg te overwegen van Adam die de last van zijn grote zonde heeft gedragen, van Kaïn die de last van het bloedvergieten van een mens heeft gedragen, van Abraham die door zijn onvoorwaardelijk geloof nu de Heer mag zien!
Maria getuigt: dit zijn drie zegenrijke geschenken van God: Zijn Wil, Zijn Woord en Zijn Liefde! En aanvaardt deze in vreugde. Hiermee is het Paradijs geopend en mag aartsvader Abraham de Heer zien!

De drie gaan met vreugde de nieuwe Weg, een nieuwe Wereld in.

Theo Midden, diaken.

 

Trinitatis (Drievuldigheidsdag) – Jakob Lorber

Trinitatis (Drievuldigheidsdag)

Uit “Festgarten” van Jakob Lorber – 16.06.1878

Mijn lieve kinderen! Mijn wezen bestaat uit “Vader”, “Zoon” en “Geest” binnen één persoon. Vader ben ik als schepper van alles wat bestaat, en zoals een Vader van zijn kinderen houdt, zo is ook mijn liefde onbegrensd voor alles wat bestaat, vooral voor de mensen die ik precies zo gevormd heb als ik zelf ben. Mijn liefde voorzag de mensen van alle talenten en daardoor kunnen zij gelijkwaardig worden aan wie Ik ben. Daarom moest ik hen ook een vrije wil geven. Nadat zij daarvan waren voorzien, vroeg ik hen om Mij te volgen.

Maar omdat zij hun vrije wil verkeerd gebruikten, moest ik als Zoon verschijnen en vlees aannemen, om hen door mijn leer en mijn woord, dat de Geest is, opnieuw met Mij te verbinden en hen de samenstelling van hun wezen begrijpelijk te maken, opdat zij tot het inzicht zouden komen hoe nodig het is hun wil aan de mijne te onderwerpen om later in het hiernamaals mee te kunnen regeren.

De mens kan zich niet van zijn drieëenheid scheiden, omdat hij anders geen mens meer is. Want de geest is het eigenlijke ‘ik’, dat van Mij uitgaat. De ziel is het middel of werktuig, dat hem verbindt met het lichaam om zich steeds meer te ontwikkelen. Zo zijn de drie samen één geheel;  daardoor kunnen zij werkzaam zijn en voor anderen begrijpelijk. Dat geldt ook voor Mij: door de omhulling van mijn Ik (de Zoon) en door de bekendmaking in het woord (de Geest) werd ik een zichtbare God. Nu hebben voor degenen, die Mij in mijn ware wezen leren kennen, de namen God, Vader, Zoon en Geest een gelijke betekenis. De drie namen samengevat zijn de benaming, die mijn gehele wezen moet omschrijven, zoals het ook bij de meeste Christenen gebeurt. In je hart mag je echter slechts één beeld bezitten, zij het onder verschillende namen, afhankelijk van de situatie. Soms eren jullie meer de Schepper in mij, wanneer jullie onder de indruk zijn van de mooie natuur en haar verscheidenheid: dan weer als Zoon en bemiddelaar, wanneer jullie je bewust worden van jullie onvolmaaktheid in het gevecht tegen de zonde. Soms nemen jullie je toevlucht tot de barmhartigheid en de verzoening, waarbij mijn wijsheid het mogelijk maakt dat jullie de Geest of Trooster ontvangen, die jullie in alle waarheid leidt, opdat jullie de Geest erkennen en zeggen: “Vader, geef mij de Heilige Geest!” In dat geval ben ik er als de werkzame kracht, die niet opgesplitst of gescheiden kan worden van de Vader en de Zoon.

Wie in mij de drievoudige Vader eert, zoals ik het nu aan jullie uitleg, die heeft in alle situaties van het innerlijke leven een ware God. Hij heeft Hem soms als Schepper nodig, soms als bemiddelaar of trooster, en zal Mij daarom nooit kunnen missen, maar hij wordt aangespoord zich door middel van zijn gevoelens, woorden en daden op dezelfde manier tegenover zijn medeschepsels te gedragen. Zo maakt hij duidelijk een kind van Mij te zijn.

Zo kan ook een aardse vader vaak op drie manieren worden aangeduid: met een naam, een titel en ook met het woord ‘vader’, terwijl het kind alleen ‘vader’ zal zeggen. Op precies dezelfde manier moeten jullie naast alle namen, die de mensheid Mij geeft, aan het woord “Vader” vasthouden, want die herinnert jullie eraan dat een kind meer plichten heeft tegenover zijn vader dan een willekeurig iemand, die bij hem in loondienst is. Die genoemde plicht heet: “liefde!” Liefde moet jullie grondslag zijn. Alleen uit liefde moeten jullie mij aanroepen, want andere vormen van verering zijn waardeloos. Alle drie wezensdelen die van mij getuigen, namelijk als Schepper en Gever van alles wat goed is, als Zoon en Bemiddelaar, en als Geest en Trooster, zijn zodanig dat zij wederliefde oproepen. Liefde en wijsheid zijn mijn wezen! Amen.