Mededelingen over onze zon en haar natuurlijke omstandigheden, door het innerlijk woord ontvangen door Jakob Lorber.*)
Inleiding (tekst op het omslag):
In de korte periode van drieëneenhalve maand (8 augustus tot 21 november 1842) heeft Jakob Lorber door het innerlijk woord bijgaand werk over onze zon mogen opschrijven en voltooien. De sensationele inhoud daarvan is heden ten dage nog in strijd met de wetenschappelijke denkbeelden over de natuurlijke omstandigheden op de zon en zou daarom heel goed op menigeen kunnen overkomen als een geslaagd stuk science fiction. Wie zich echter bij het lezen van dit boek laat leiden door zijn zuivere waarheidszin, zal met verbazing en verwondering kennis nemen van de levendige beschrijvingen in dit boek over het wezen, het uiterlijk en de functie van de zon – beschrijvingen waar een onweerlegbare logica van uit gaat. Verder lezen →
De innerlijk-geestelijke religie van de Saturnusmensen. Betekenis van het getal zeven. Zondagsviering. Doop van de pas geborenen. Tempelmaal. Prediking van de oudsten, die wordt verduidelijkt door geestelijk schouwen. Wijsheid van de Saturnusmensen.
1. Wat de religie betreft: deze heeft heel weinig uiterlijke, ceremoniële kenmerken, maar zij is des te meer innerlijk en geestelijk. 2. Het ceremoniële deel bestaat, zoals jullie al weten, uit een goedgeordende, levendige tempel, waarin de Grote Geest bij alle belangrijke aangelegenheden wordt gedankt en er vragen aan Hem worden gesteld.
Hoofdstuk 18. De leugen van de eeuwige tuchtiging van Satana. De vrouwelijke schoonheid van de oergedaante van Satana. De kruisdood van de Heer en de vrijheidstermijn van Satana.
1. Hierop wendde de Heer Zich weer tot Satana en zei: “Satana, je zegt dat Ik voor jou slechts een onverzoenlijke, almachtige God van toorn ben en dat ik je voortdurend al gedurende eeuwigheden tuchtig en dat op een onuitsprekelijke, onbeschrijflijk gruwelijke manier! Daarom gebied Ik je nu om deze getuigen te tonen wat voor slagen je al van Mij hebt gekregen!”
Hoofdstuk 11. Ghemela’s uitbundige dank en de woorden van de Heer over de hoge waarde van de liefde. Een belofte aan Ghemela en aan Pura als toekomstige Maria. Pura’s opname.
1. Toen Ghemela dat van Zuriël had vernomen, werd zij buitengewoon blij en vrolijk en zij ging dadelijk naar de Heer van hemel en aarde, en dankte, loofde en prees Hem in haar brandende hart voor zo’n grote genade, dat Hij haar zo zalig had laten ervaren hoe het leven van de geest helemaal leek op het leven van een nog op aarde in het vlees levende mens die staat in de volle liefde tot Hem, de heilige, de van alle liefde en erbarming vervulde Vader.
Hoofdstuk 4. De dank die de Heer het meest behaagt: de liefde zonder woorden in de diepste deemoed van het hart. Lamech en Ghemela, het zuiverste echtpaar uit de oertijd.
1. Jij (d.w.z. Jakob Lorber) wilt graag horen wat Lamech tegen Ghemela sprak. Daarom volgen hier zijn woorden. 2. Lamechs vraag om vergeving en de verzekering van zijn liefde aan Ghemela, nadat hij Mij tevoren nog uit het diepst van zijn hart voor de vermaning bedankte, luidde als volgt:
Hoofdstuk 3. Lamech en Ghemela door de Heer tesamen gebracht.
1. Na deze woorden riep de hoge Abedam Lamech bij Zich, stelde hem aan Ghemela voor en vroeg haar: 2. “Mijn geliefde Ghemela, kijk naar deze man. Zijn naam is Lamech; net als jij is hij vol vurig vlammende liefde tot Mij. Zie, deze man wil Ik jou geven, want Ik weet dat hij jou niet zal aanraken voordat Ik hem naar jou toe zal leiden.
Hoofdstuk 2. De grootste zorg van de stamvaders: het dingen naar de liefde en de genade van de Vader.
1. Allen waren buiten zichzelf van vreugde en dankten Abedam innig in hun hart voor zo’n belofte, die waarlijk een belofte aller beloften is omdat in haar het enige ware leven woont en dus ook alle levende kracht en macht voor het bedwingen en overwinnen van alle dingen.
Jakob Lorber – “De Huishouding van God”, deel 2. Ontwikkeling en geestelijke bloei van het eerste wereldrijk van Hanoch.
Hoofdstuk 1. De liefde en de zegen van de heilige Vader als teken van Zijn geestelijke aanwezigheid. 1. Abedam vroeg hun: “Welnu, luister dan: Ik heb met groot welbehagen de uitingen van jullie harten vernomen; daarom zijn jullie allen er waarlijk het allerbeste aan toe, maar zoals Ik nu onder jullie vertoef – dat weet je – kan Ik ter wille van jullie vrije leven niet blijven en moet Ik je als zichtbare Vader spoedig weer verlaten!
Een kleine scène. (ontvangen van de Heer door Jakob Lorber op 6 september 1840)
Daar je even iets wilt schrijven, zo schrijf in Mijn Naam aan de vrolijke vrouw van broeder A.H., omdat Mijn woorden haar blij maken, de volgende kleine scène: en zij kan erover nadenken en in haar hart onderzoeken wat Ik ermee bedoel. Zij moet echter niet te veel denken (dat wil zeggen met het verstand piekeren), maar alleen echt krachtig aftasten en juist dan zal zij wel vinden wat Ik ermee zeggen wil; daarom echter geef Ik het bedekt en een weinig vergelijkenderwijs, opdat zij des te gemakkkelijker de smalle weg naar mijn Liefde vinden mag en de daaruit vloeiende Genade! Amen. En dat is de kleine scène:
‘De verblinding van mensen’ Uit Psalmen en Gedichten: no 36, pag. 89, (Jakob Lorber).
De afwezigheid van de Heer
Schrijf dan niet – de afwezigheid van de Heer; want waar zal zich de oneindige en Alomtegenwoordige zich verbergen? Maar schrijf daarvoor in de plaats als onderwerp:
De periodieke verblinding van mensen op een gegeven moment. Waar komt dit aanvoelen zoal vandaan bij de mensen?—Wanneer bij de goeden, en waarom soms bij de vromen?